'Wie zou er ons vervolgen?'

'De bolsjewisten.'

'Voorlopig gaan die niet komen. Ze mogen zeggen van de Duitsers wat ze willen, en onze kerk heeft het niet gemakkelijk in Duitsland, maar ondertussen zouden zij toch de communisten tegenhouden.'

'Waarom zitten er overal tralies voor de vensters van het Slot, Zuster Imelda?'

'Dat is meer om het die van buiten moeilijk te maken om binnen te komen dan om die van binnen te beletten om buiten te gaan. Allee, help eens een beetje met die ketels patatten.'

'Direct, Zuster Imelda, direct.'




XVIII Een gouden bikkel

Byttebier, de forse Apostel, zakte door de knieen, kruiste zijn handen en daarin plaatste Vlieghe zijn naakte voet. Vlieghe vlijde zich tegen Byttebiers borst, perste zijn heup tegen Byttebiers buik, en toen legde de boerse Christoforus Byttebier zijn wang en zijn oor tegen Vlieghes dij en hees de jongen nog hoger tegen de muur. Vlieghe vond de vensterbank, trok zich op, klom toen langs de verroeste pijp, slingerde zich op het balkonnetje. Gelukt. De Apostelen beneden verwachtten een gil die door de nacht zou scheuren, een plotse aanval van verborgen nonnen, oorvegen, hulpgeroep, maar de nacht verroerde niet. Krekels. Vanaf het balkonnetje, als van onder een baldakijn op het Sint Pietersplein in Rome, maakte Vlieghe een zegenend gebaar naar de bewonderende gelovigen aan zijn voeten.

'Gauw,' zei Dondeyne. 'Gauw, gasten.' Alhoewel er streng bepaald was dat niemand een woord mocht zeggen tijdens de hele aanval.

Zij liepen achter elkaar, dicht bij de muur. Byttebier op kop. Toen de wenteltrap op, tot ze voor de Verboden Deur van het Verdoemde Slot stonden. Krekels. De ratelende ademhaling van Schamphelaere die het dichtst bij de deur van de slaapzaal sliep.

'Waar blijft die onnozelaar?' lispelde Dondeyne. In het schaarse licht had hij gitzwarte kraalogen. Zuster Adams regelmatige tred, afgewisseld door het geritsel van de gordijnen die zij bij elk hokje opentrok, kwam nader. Zoals voorzien. Zoals voorzien pakten de Apostels elkaar beet, toen zij aan de bocht kwam. Zij zakten in een stille omarming gevieren achter het kamerscherm dat bijna helemaal opeengestapelde bedden en een berg matrassen verborg. Louis' wang lag tegen een ijzeren stang, Goossens zat ongemakkelijk geknield, Byttebier lag als een zak boven op Dondeyne.

Vlieghe daagde niet op. Dondeyne's ogen sperden zich toen Zuster Adam, die waarschijnlijk eerder langs de kleintjes was gewandeld, naar de deur van het Slot stapte. Zij moet nu het gebonk van mijn hart horen, het kan niet anders. Als zij maar niet de deur van het Slot opendoet op het ogenblik dat Vlieghe er voor staat aan de andere kant. Het zeilend habijt van de non deed stof en koelte opwaaien vanonder het kamerscherm. Ik moet niezen. Zuster Adam rochelde, spuwde, niet in een zakdoek, want meteen daarna wreef haar schoen tegen de plankenvloer. Toen ging zij, door een plotselinge ingeving bewogen, naar de wenteltrap en daalde, verdween. Onzichtbare, onhoorbare Vlieghe, wat voer je toch uit! De Apostelen maakten zich los uit hun kluwen, de plankenvloer knetterde. Werd Vlieghe in het Slot, geblinddoekt, gemuilband, in bedwang gehouden door onhoorbaar sissende Zusters, die op zijn medeplichtigen wachtten?

Louis wou weg. Goossens hield hem tegen. Goossens voelt zich de nieuwe leider. In een seizoen: Apostel Nummer Een.

Toen scheurde de muur voor hen, totaal onverwachts, in twee geluidloze panelen, zoals het voordoek van de Tempel op die Dag van Verdriet. Louis sprong achteruit, botste tegen Goossens aan die zachtjes vloekte. Dit was totaal onvoorzien. Wat uiteen schoof was een raam dat, matwit geverfd als de muren, sinds mensenheugenis nooit was opengegaan. Het raam ging verbazend stil verder open en Vlieghe grinnikte, wenkte. Het Slot wachtte op hen.

Nog wittere wanden dan de gangen van de slaapzalen.

Heiligschennend liepen ze, schoorvoetend drongen ze verder door en volgden Vlieghe die het gebabbel van Zuster Imelda drie dagen geleden volgde, net alsof zij in het verhaal van de landbouwkundige non stapten, Vlieghe stond voor de open deur en ging als eerste naar binnen en het gebeurde in de tijd van de Oorlogen in Europa en Azie, in mijn tijd op aarde, dat wij haar zagen zitten op een eikenhouten troon vol gekrulde ornamenten, Zuster Sint Gerolf, in de wereld Georgine de Brouckere. Op een armlengte afstand van Louis zit zij in haar edele kakstoel, slapend, vastgeregen met wit-en-bruine grof gevlochten touwen. Liefde in de maagstreek, liefde in het hete hoofd. Niemand mag haar eerder aanraken dan ik. Louis duwde Vlieghe opzij, als een voorbijganger op straat. Zij lijkt op BoMama, in het bleke, bloedloze. Een hoofd vol lellen en plooien, dat zij schuin houdt alsof zij water uit haar oor laat lopen. Zij zingt in haar slaap, maar dat kunnen alleen de Miezers - als zij bestaan - horen. Het kamertje is smal. De Apostelen zijn er te veel. Alhoewel niemand spreekt is het er te schreeuwerig, hun gehijg slaat tegen de zich vernauwende wanden.

Is zij nu blind of niet? Vlieghe trekt met delicate vingers haar ooglid naar boven. De ogen openen zich, matte, melkige knikkers zonder pupillen. Ik heb gewonnen. Of is het door het zwakke licht dat alleen het wit glimt.

Zuster Sint Gerolf wordt wakker met een elektrisch schokje. Zij kwijlt. Zij zoekt links en rechts, de bloedloze vingers graaien, zij snokt aan haar touwen.

'Zuster Sint Gerolf,' zegt Louis.

'Ja, Zuster,' zegt zij, helder, precies, in het schoon-Vlaams. 'Ja, Zuster. De Heer zij met u.'

'Zuster Sint Gerolf,' zegt Goossens.

Voor zij iets kan uitspreken met haar tandeloze mond, heeft Vlieghe er zijn wijsvinger in gestoken. Zijn duim - waar je nog het bleke ringetje van vlees kunt zien waar Louis de reepjes van zijn gescheurde zakdoek heeft vastgebonden - rust tegen haar pokdalige wang.

Zij sabbelt aan de wijsvinger en Vlieghe, met de onaantastbare ernst waarmee een Hottentot voor het eerst de mis dient, laat haar begaan. Het geslobber verloopt vredig. Als Vlieghe zijn vinger met een floepje terugtrekt, kreunt Zuster Sint Gerolf en schudt haar hoofd. Vlieghe doet een stap terug en Goossens steekt twee vingers in de open, doodse, zoekende mond. Zij slurpt, het geluid is dat van een kleintje in de refter dat soep slurpt.

'Ga weg. Ik ook.' Byttebiers stem is te luid, te vreemd. Zuster Sint Gerolf tracht haar lijf op te heffen, de touwen glimmen, spannen, kraken en de stank van de zwavelgassen brakende hel verspreidt zich snel in het kamertje.

Goossens duwt Zuster Sint Gerolf neer. 'Hola,' zegt hij vriendelijk. 'Hola.'

Dondeyne die als opdracht heeft om bij de muur het hele Slot in de gaten te houden, schuifelt dichterbij. 'Wij moeten haar om haar zegen vragen.'

'Hottentot,' zegt Louis. 'Zusters mogen niet zegenen. Zij zijn niet gewijd.'

'Wij mogen niets, helemaal niets,' zegt Zuster Sint Gerolf opnieuw met die heldere welopgevoede stem.

'En dat is maar goed ook,' zegt Byttebier.

'Dat is waar, Zuster,' zegt Zuster Sint Gerolf. Op haar smal ijzeren bedje ligt een witte gehaakte sprei en daarover ligt een glanzend witter trapezium van licht, dat voortkomt uit het elektrisch peertje op de gang. Op haar nachttafeltje bevindt zich een stoffige asbak met de letters Roman-Bieren, waarin twee loden bikkels liggen. Louis steelt er een van zonder dat iemand het merkt en zegt, achteloos, als op bezoek bij een tante: 'Wij mogen niet te lang blijven, Zuster.'

'De Heer zij met u, Zuster.' Zij gooit haar lichaam naar voren, de troon en de stank wankelen. Zij bijt met haar naakt tandvlees naar onbestaande vingers.

'Ik zweer dat wij terug zullen komen,' zegt Louis.

'Het is tijd,' sist Dondeyne bij de deur.

'Niet zweren, Zuster. Hij heeft ook gezworen. Hij zei: ''Sta op, neem uw bed op en ga naar uw huis."' Daarop viel zij in slaap of in zwijm, de Apostelen stootten elkaar aan, dromden bij de deur, renden in de koele, naar kalk ruikende gang.

Toen zij 's anderendaags samen na het middagmaal met de Meccanodoos een hijskraan bouwden zei Louis: 'Wij moeten nu iets ondernemen. Gij hebt het zelf gezien. Maar wij kunnen dat rustig overdenken in de komende dagen. Ondertussen moeten wij er elke nacht weer naar toe. Want ge hebt het zelf gezien hoe zij voor de rest van haar leven in dat kot moet zitten, wij moeten onze evennaaste helpen.'

'En moet ik elke nacht die muur opklimmen?' zei Vlieghe smalend.

'De gevangenen bezoeken is een werk van barmhartigheid.'

'Dat is juist,' zei Dondeyne, 'maar niet elke nacht.'

'Het goede niet doen is ook kwaad doen.' Maar zij bekommerden zich weer om de hijskraan. Louis knipoogde drie keer naar Vlieghe, het apostolisch teken voor: volg mij, ook door het vuur.

Achter de keukens zei hij: 'Hier,' en stak zijn vuist naar voor. 'Wilt ge niet weten wat het is?' Zij gingen naast elkaar zitten op een doorkerfde, gerafelde autoband.

'Wat is het?'

Hij opende zijn vingers.

'Een bikkel?'

'Gij gaat het nooit ver brengen in de wereld,' zei Louis. 'Niet ver. Want ge gaat door de wereld lijk een blinde. Denkt ge dat dit een simpele bikkel is, niet meer of niet minder?'

Vlieghe keek hongerig naar de lucht, waar een vliegtuig gromde.

'Zal ik u vertellen wat deze bikkel is?'

'Begin maar.' Vlieghe trok rafeltjes van de autoband, kauwde erop.

'Zuster Sint Gerolf is van een goede familie.'

'Lijk gij zeker?'

'Moet ik u 't fijne ervan vertellen of niet?'

'Doe maar.'

'Familie de Brouckere is liberaal, het is te zeggen een familie van vrijmetselaars. Maar, zij, Georgine...'

'Wie is dat, Georgine?'

'Maar let toch een beetje op. Zuster Sint Gerolf haar naam is Georgine. En in haar familie was zij niet gaarne gezien omdat zij als enigste gelovig was en in 't geheim naar de mis ging. En om van haar af te zijn verplichtte haar vader haar om te trouwen met een baron, Stanislas heette hij, van Poolse afkomst, een pretentieuze dwazerik. Zij kregen een kind, die twee, maar in de plaats dat dat kind hun liefde aaneen smeedde...'

'Smeedde? Was 't een smid dat kind?'

'Luister. 't Was juist 't contrarie. Dat kind was een fraai, braaf kind dat niemand ooit kwaad gedaan heeft, het vertelde soms een beetje leugens en 't was natuurlijk wel een keer lastig, maar voor de rest was het een voorbeeld van goed gedrag en zeden. Alleen kon het niet zo goed spreken, het hakkelde, omdat het te veel tijd nodig had om te peinzen wat het moest zeggen.'

'Niet lijk gij,' zei Vlieghe. Vanuit de wolken was niks meer te horen.

'Maar wat dat er raar was, was dat de vader van het kind, de baron Stanislas, altijd lelijk deed tegen het kind, dat kind uitlachte of het stampen gaf.'

'Waarom?'

'Waarom? Omdat hij dacht dat het kind niet van hem was, maar wel van een tapijtverkoper, een tsjoek-tsjoek uit Egypte. Want zij hadden daar gelogeerd. Aan de Nijl. En dat kind...'

'Hoe heette het?' vroeg Vlieghe razendsnel.

'Gerolf. Dat heb ik u toch gezegd?'

'Nee.'

'Gerolf, die sukkelaar, had een kromme neus en nogal donker vel. Vandaar dat de baron dat in zijn hoofd stak. Op een dag, of liever op een nacht dat ze van een bal thuis kwamen begon baron Stanislas daarover. ''Dat kind is van iemand anders. Van iemand uit Egypte. Kijk naar zijn neus, naar zijn vel. En ge wilt op vakantie gaan naar het Kanaal van Suez, smerige vrouw!" Maar, wat zij niet wisten, was dat het kindje, de kleine Gerolf dus, dat allemaal hoorde vanuit zijn bed. En dat ventje trok zich dat zo aan, dat hij er ziek van werd. Hij wilde eerst weglopen naar de streek van de Piramides om zijn eigen, echte vader te vinden, maar hij had er de krachten niet meer voor, hij bleef maar in zijn bed liggen en teerde weg. Wat gebeurt er? Op een namiddag breekt er een storm los, het venster van de slaapkamer waaide open, de grote cactus die op de vensterbank stond viel omver, precies op Gerolfke zijn hoofd, zijn moeder die hem bouillon kwam brengen verschoot zich een ongeluk, want al de cactusstekels zaten in zijn aangezicht. ''Maar och Here," roept zij en ze wil die stekels er uittrekken. ''Nee, Mama," zei Gerolfke, ''laat ze maar zitten, het is de moeite niet meer," en hij stierf op 't zelfde moment. Van heel Europa zijn zij naar de begraving gekomen, hele stoeten van adellijke personen. Maar ik ga te rap met mijn historie. Voor dat Gerolf begraven moest worden had de moeder gevraagd aan de bisschop die haar biechtvader was of dat zij haar dood ventje mocht balsemen, en bij haar in haar slaapkamer houden. ''Doe dat niet, madame," zei de bisschop, ''als ge dat kindje alle dagen gaat blijven zien, gaat ge er te veel hartzeer van krijgen." "Maar ik wil hem niet in de put," riep ze, ''niet in 't familiegraf van de familie van Stanislas die zo lelijk gedaan heeft tegen mijne kleine." "Madame," zegt de bisschop, ''ge zoudt beter een klein kleinigheidje bewaren van uw dode zoon, en daarmee uit." "Wat?" vroeg ze, ''een lokje van zijn haar in een medaillon rond mijn hals?" "Nee," zegt de bisschop, ''iets dat ge kunt voelen." "Zijn rechterarm die hij altijd rond mijn hals sloeg voor 't slapengaan?" Dat was te ongemakkelijk om mee op reis te nemen, om kort te gaan...'

'Ja, hou het kort,' zei Vlieghe.

'Om kort te gaan, zij wisten niet wat te kiezen, zij hebben 't kind gekookt, het vel en het vet eraf gehaald en dan mocht de moeder kiezen welk gedeelte van het geraamte ze wilde houden voor dat heel 't geval weer in de kist ging. Een hele nacht heeft ze bij 't geraamte van haar kind gezeten en constant geschreid en dan zei ze: ''Dat stukske daar, dat gewrichtje. Want het lijkt op een bikkel en onze Gerolf bikkelde zo gaarne." Zij hebben goud gegoten rond het gewrichtje, en voila, hier is het, het is voor u.'

'Is dat goud?'

'Ze hebben rond het goud een laagje lood gelegd opdat de kamermeiden het niet zouden stelen. Maar bewaar het goed, als 't nodig is kunt ge 't goud inwisselen in de bank.'

Louis gooide de bikkel een paar keer op, liet hem op de rug van zijn hand vallen, gooide hem weer op, ving hem met een maaiende beweging, en gaf hem aan Vlieghe.

'Het lag op haar nachtkastje. Nu is het van u.'

'Dat mens gaat ernaar zoeken.'

'Dat is zeer goed. Want zij begon te vergeten dat het er lag. Zij heeft het een hele tijd niet in haar hand genomen, want er lag stof op. Nu het er niet meer is, zal haar verdriet weer schoon vers opsteken. En zal ze weer moeten denken aan haar kind dat verdwenen is voorgoed en voor altijd en voor iedereen.'

'Gij zijt een propere smeerlap.'

'Ja, he?' zei Louis happig.

'Niet alleen een smeerlap, maar een vieze vuile leugenzak.' Vlieghe liet de bikkel in de borstzak van Louis' schort vallen en stond op van de autoband en wandelde weg.

In de Aardrijkskundeles die over Albanie ging vertelde Zuster Sapristi dat Mussolini, een van de ergste ketters die het christendom had gekend, al duidelijk de goddelijke straf voelde, want hij kreeg heel vaak schokjes en rare scheutjes, om niks begon hij in zijn paleis te brullen en te huppelen van de zenuwen, lang kon een mens dit niet volhouden.

Louis vroeg zich af wat Papa daarvan zou vinden, hij die Louis foto's had laten zien waarop de machtige kale gestalte met naakt torso te midden van onaanzienlijke, ongeschoren boeren de oogst hielp binnenhalen, en gezegd had: 'Kijk, dat is nu een mens op zijn plaats. Voor het volk, door het volk. Ziet ge Paul-Henri Spaak al met een hooivork?' Mussolini was Albanie met opzet binnengevallen op Goede Vrijdag om te tonen dat hij op de dag van Jezus' kruisiging de Albaniers wou kruisigen, de lafaard die honderdduizend man, honderdzeventig boten en vierhonderd vliegmachines had ingezet tegen dat handjevol bergbewoners zonder enig verweer. Mussolini, zei Zuster Sapristi, werd al beschreven door Corneille, als deze zich afvraagt: 'si l'on doit le nom d'homme a qui n'a rien d'humain, a ce tigre altere de tout le sang romain.'

Wat idioot was, vond Louis, want de Duce was niet bloeddorstig naar Romeins bloed, maar naar dat van de blauwzwarte Ethiopiers en de Albanezen. En als hij in de Middellandse Zee het rijk van Julius Caesar wilde herstellen, wat was daar fout aan? Zij hadden toch geleerd dat Caesar een van de grootste mannen van de geschiedenis was.

De roze tong van Vlieghe was zichtbaar toen hij geeuwde. (Je hebt geluk, Vlieghe, dat ik geen luitenant in Mussolini's leger ben. In je onderbroek zou ik je wegsturen, de woestijn in van Ethiopie.

'Waarom, luitenant?'

Omdat je iemand bent die zijn luitenant blauwe bloemkes wijsmaakt, die beweert zijn luitenant door dik en dun te volgen, en die als er een bewijs moet geleverd worden van die genegenheid, iets wat een luitenant op elk ogenblik, waar dan ook, mag opeisen, het laat afweten, meer, de luitenant beledigt, vernedert. En avant, marche! Het zand in. Zorg maar dat ge een oase vindt voor zonsondergang, renegaat!)

Mussolini is stom, zei Zuster Sapristi, want hij doet Hitler na en achtervolgt en kwelt de katholieken. Maar Hitler heeft een nieuwe godsdienst, hoe ketters en duivelachtig die godsdienst ook is. Mussolini heeft niets in de plaats. En is het niet ultra-stom om Zijne Heiligheid de Paus, die de tiran nooit een strootje in de weg gelegd heeft, nu op stang te jagen? 'Wie aan de Paus komt, moet sterven!' fluisterde Zuster Sapristi.

Op weg naar de slaapzaal gunde Vlieghe Louis geen blik.

Louis kon niet slapen. Op zijn bed, zoals de graaf van Montechristo op zijn brits in de vochtige, onderaardse cel, bedacht hij allerlei ontsnappingen uit het Gesticht, zag zich aankomen in het Slechte Huis op de weg naar Walle, of in Walle zelf aanbellen bij de donkere gevel waarachter Mama lag. Hij keek door het raam naar het wit oplichtende traliewerk van de draaimolen. Vaak had hij erop gezeten, in veilige warme dagen vroeger, en er koppig gewacht tijdens de spreekuren, op Mama en Papa die soms kwamen. Die ene keer dat hij als kleintje niettegenstaande de Zusters hem gewaarschuwd hadden dat Mama niet zou komen toch obstinaat bleef wachten, terwijl de ouders van de anderen keuvelden, kwebbelden. Tot het donker werd en koud. Ik heb niks misdaan, Mama. De Zusters die eerst meewarig langsliepen werden kwaad. 'Seynaeve, niet zo kinderachtig!' - 'Louis, ze komt niet!' - 'Zijt ge nog zo'n kleine jongen die niet eens een dag zonder zijn Mama kan?' - 'Als ge nu niet direct meekomt, vliegt ge in het kolenkot' - 'Goed, blijf daar maar.' Zuster Kris wrong zijn vingers van de metalen stang, trok aan zijn haar.

Vlieghe ziet mij niet staan. Zijn hoofd gonst van Twaalf Cilinders Delahaye zonder compressor, in het circuit van Pau zijn zevenhonderd bochten, gemiddelde snelheid 88 kilometer, de beste olie is Veedol, reageert op de minste druk op de starter, zelfs bij twintig graden onder nul...

Louis kroop weer in zijn bed. Vlieghe heeft geen hart. Een hart werkt bij elk persoon anders. Bij Vlieghe is het uitsluitend een mechaniekje, cilinder, carter. Bij mij een waakvlammetje, onderhevig aan elke tocht, hoe ziet een hart er uit? Katten eten hart, Jezus wijst naar zijn hart, een zakje vol vlammen. Richard Leeuwenhart. Het hart, sidderend, stormachtig, maar dichtgekneld van Prins Sou-Chong. 'Dijn is mijn ganse hart.'

Hij wist dat hij half sliep toen hij zich naar het bed van Vlieghe begaf, door de spleet van het gordijn keek, alleen een lange bult onder de dekens zag. Hij trok het gordijn weg van het slaaphok van Dobbelaere, Omer. De dikke ongure jongen sliep met dichtverkrampte vuisten. Louis trok aan zijn haar, Dobbelaere werd wakker met een soort genies, steunde op een elleboog. Hij droeg een tabbaard met fronsjes en plooitjes bij de borst, zoals bij sommige orden van Zusters in vreemde streken.

'Dobbelaere, gij zijt betrapt.'

'Ja?'

'Ja. Wij hebben gezien dat gij uw schoenveters gekruist hebt geknoopt.'

'Ik?'

'Waarom, Dobbelaere?'

'Omdat gij dat ook doet.'

'Alleen Apostelen mogen hun veters zo knopen!'

'Ja.'

'De eerste van de Apostelen zijnde, ben ik de genade. Vraag om genade.'

'Genade.'

'Gij meent het niet. Niet echt.'

Dobbelaere kroop op zijn knieen, de deken viel van hem af op de grond.

'Onderkruiper!' Louis greep met volle hand in de fronsjes, draaide zijn hand, een wollige bol linnen in zijn vuist, hij trok, de stof scheurde, Louis rukte harder, de gewelfde witte borst van Dobbelaere kwam vrij.

'Zijt ge niet beschaamd, Omer?' zei Louis. De rituele zin van Dobbelaeres moeder in de gang toen Zuster Engel voor haar zoon knielde. De dikke jongen bracht aarzelend zijn hand naar de gescheurde opening, Louis sloeg de hand opzij.

'Schuif op,' Louis ging liggen in het nauwe, naar slaap ruikend bed, vlak onder de sepia-foto van een gendarm, Vader Dobbelaere.

'Gij moogt geen vuile manieren doen, Louis.'

'Ik ben de genade, Hottentot!' Louis zag hoe de roze tepel van Dobbelaere opgericht was, hij trok eraan. Als aan de tepels van Mirza, de hond van Tante Violet, als niemand het zag.

'Au!'

'Hou uw mond.' Hij trok harder, perste zijn vingers dicht, liet los. 'Mijn straf zal mild zijn, niet omdat ik u gaarne zie, maar omdat ik de genade ben. Ga liggen. Plat, zeg ik.'

Louis zoog lang aan de tepel.

Toen begon Dobbelaere zijn haar te strelen. Louis liet het toe, telde tot elf, richtte zich op.

'Dat ik nog een keer uw schoenveters gekruist zie, vetzak.'

Op de gang tochtte het. Hij zag de Grote Beer, het zevendruppeltje. Mama waarschuwde altijd voor tocht. Hij bleef kijken naar de sterren tot zijn ogen dichtvielen en zijn hoofd tegen de vensterpost bonkte. Sloop toen naar zijn bed, zoals de leeuw in de savanne vlak voor hij briest.


XIX Zijn gemene muil

De koningin van het Gesticht, Moeder-Overste, kwam met haar gevolg binnen tijdens de les van Zuster Engel, en dat gevolg was Peter (die uiteraard een heel andere kant uitkeek dan waar ik zat) en zijn boezemvriend, de wijdbuikige kanunnik Vanhoore, wereldvermaard om zijn opwekkende Vlaamse jongensliederen. Zij hadden Zuster Engel niet verwittigd want zij schrok, schikte haar steeds onberispelijke kleren, loerde snel de klas in of er zich niet iets schandelijks had voorgedaan terwijl zij het Oostenrijks bewind aan het uitleggen was, en kwam van de estrade, maar ze werd er met een koninklijk wuifhandje weer heengejaagd. Vorstin en gevolg wandelden als in de huiskamer van een lakei, naar het achterste gedeelte van de klas.

Zuster Engel hernam de les, op haar ongemak, meer dan ooit de eigennamen overdreven articulerend. Minister Mercy d'Argenteau werd vervangen door Graaf Met-ter-nich-Win-ne-burg.

Louis durfde niet achterom te kijken, maar had in de paar ogenblikken dat Peter, diens Vriend en de Overste langs zijn bank waren gegleden toch een eigenaardige glimp van een eigenaardige Peter opgevangen. Gewoonlijk vertoonde Peter als hij in het Gesticht kwam en zich onder de leerlingen begaf, altijd met een Zuster samen natuurlijk, want nooit mag een vreemde, al is hij nog zo hoog van rang en stand, zonder begeleiding van een Zuster in het Gesticht rondlopen, een springerig, bijna speels voorkomen. Speels? Toch wel. Weet je nog, verleden jaar toen hij met zijn hartsvriend de kanunnik kwam middagmalen in het salon van Moeder-Overste en klaagde over kiespijn. 'Ik zou tegen de muren opklimmen, Moeder, het is de straffe Gods en ik moet het aanvaarden, ik weet het, maar het doet toch zo'n zeer.' Moeder-Overste was in al haar staten, wilde een Zuster naar de infirmerie sturen om aspirines. 'Aspirines, Moeder? Nee. Laat maar. Ik heb een betere remedie. De korte metten!' En hij haalde zijn vals gebit uit zijn mond en legde het naast zijn bord soep. Moeder-Overste had groen gelachen. Appelgroen, zei Peter.

Nu evenwel was er iets korzeligs te lezen geweest op zijn geblutst gezicht.

Toen de les voorbij was, applaudisseerde de kanunnik met de rug van een hand slapjes tegen de palm van de andere. ''t Is wel, heel wel, Zuster, ik heb een heleboel bijgeleerd.'

'Jongens,' zei Zuster Engel en bracht een prachtig somber geluid voort: 'Oehoehoe.' De jongens vielen in en zongen het bekendste lied dat door kanunnik Vanhoore werd geschreven (en door Papa gedrukt op zeegroen glanzend papier met een roze omslag: Liederen voor Onze Jeugd).

'Oehoehoehoehoe doet de wind, Tokketokketokke doen de regendroppen.'

Toen het gezelschap instemmend glimlachend naar de deur ging, ontstond er een meningsverschil tussen Peter en de kanunnik, want zij fluisterden, de kanunnik legde zijn hand op Peters voorarm, drong aan, bezwoer hem, maar Peter schudde verwoed zijn hoofd. Het heeft met mij te maken. Zij willen iets van mij.

Peter, die al de klink van de deur in zijn hand had, deed een paar passen in het klaslokaal, zocht en keek bijziende - zozeer bijziende dat de klas lachte - in Louis' richting. Overdreven speels turend zei hij: 'Ik geloof dat er daar iemand zit die ik eerder heb gezien.'

Louis gloeide, beet op de binnenkant van zijn wang.

'Ja. Ik geloof... Gij daar, meneer, met uw krullenkop. Ge moet niet rood worden. Zijt gij geen verre familie van mij?'

De klas, de kanunnik, Moeder-Overste, lachten uitbundig.

'Kom een keer hier.'

Louis kroop uit zijn bank. 'O, maar nu zie ik het, potverdikke, het is een Seynaeve...'

'Dat kan hij niet loochenen,' zei de kanunnik.

'Zeg eens, Seynaeve, wat is het verschil tussen een vlieg en een mug?'

'Een mug kan vliegen, maar een vlieg kan niet muggen.'

'Zeer goed. Tien op tien.' Een bitter, gemeen trekje verscheen onder de vierkante snor van de voorvader. 'Dat was om u op uw gemak te zetten. Let nu goed op. Waar is Cyriel Verschaeve geboren?'

'In Ardooie.'

'Zeer goed. En de datum?'

'Het is voor 1900.'

'Niet mis. Maar niet helemaal juist. Peinst eens. Een inspanning.'

'1880.'

'In 1874, op de 30ste april,' zei Peter bedachtzaam. 'Maar ge waart er niet ver nevens.'

'Iets van niets. Een jaar of zes,' zei de kanunnik.

Peter is onderwijzer geweest, je kunt het zien aan de manier waarop hij nu, handen op de rug heen en weer loopt. Hij merkt niet hoezeer Zuster Engel op haar ongemak is, nu hij haar functie overneemt.

'Jongens, vanmorgen, op weg hierheen, want wij zijn al zeer vroeg op de been, Mijnheer de Kanunnik en ik, heb ik een gevecht gezien, een verschrikkelijk gevecht, en het ene vechtende gedeelte was zwart en het andere was wit, en toen werd dat zwarte grijs en het witte werd rood. Ik zag dat en mijn hart sprong op in mijn ziel, zo mooi was dit gevecht, dat ik toch alle dagen zie en dat alle dagen moet gebeuren, willen of niet.'

Hij wreef het zweet van zijn voorhoofd met de kraakheldere zakdoek die hij uit zijn mouw haalde. 'Wat is dit voor een gevecht?'

De klas zweeg. Bevroren. 'Wel?' Een gevecht? Louis zag zwarte ridders, cowboys in het wit, witgepoederde Romeinse wagenmenners. Niemand stak zijn hand op.

'Ik ga een beetje helpen. Ik heb gezegd: 's morgens heel vroeg. En het is dagelijks.'

'Ik vind het zeer moeilijk.' Zuster Engel probeerde de klas te redden.

'Kom, kom, Zuster,' zei de kanunnik, maar je zag dat hij het ook niet wist. Peter schudde meewarig zijn hoofd. 'Zal ik het zeggen? Ja? Dit dagelijks gevecht, jongens, is dat van de zon met de zwarte wolken van de nacht!'

'Ach, ja,' zei de klas. 'Natuurlijk. Nu dat ge 't zegt.'

De kanunnik zei: 'Ik dacht: twee mussen die vechten voor een paardenvijg.' De klas schaterde. Die kanunnik toch!

Peter kreeg Louis weer in het vizier, wenkte hem, nam hem mee op de gang.

'Wij lachen, Louis, maar dat is om wat er in ons hart omgaat... dat verstaat ge toch?'

'Ja, Peter.'

'Wij moeten gereed zijn om de beproevingen... dat verstaat ge toch?'

Louis knikte. Wat bedoelde hij? Wat kwam hij doen, behalve landkaarten, klasdagboeken, schoolgerief verkopen? Peter nam Louis' hoofd tussen twee knokige handen, mummelde wat. Schraapte zijn keel.

'Tante Nora is in de parloir.' Hij liet Louis los en draaide toen twee knokkels boven op Louis' schedel, het deed geen pijn, het was een onhandig gestreel eigenlijk. Louis dacht: Hij voelt dat ik zijn petekind ben.

'Zij zal het u uitleggen.' Het klonk als een snik. 'Ga nu maar, naar de parloir.' Inderdaad, Tante Nora, Papa's lelijkste zuster, stond er en naast haar als een vriendin, Zuster Econome. Tante Nora's trompetneusje met neusgaten waar je in kunt kijken, haar opgekrulde bovenlip, haar witte wimpers, alles was treurig, weerloos. 'Louis-tje, Louis-tje!' Zuster Econome nam haar hand als om er een geheim cadeautje in te stoppen. Nog niet zo lang geleden tilde Tante mij altijd op en zwierde mij rond.

'Louis-tje.' Zij haalde haar neus op.

'Het is een grote jongen, onze Louis,' zei Zuster Econome.

'Louis-tje, ik ga maar met de deur in huis vallen. Ge hebt geen broertje.'

Dan is het een zusje. Een piskous.

'Er is iets misgegaan en Onze Lieve Heer heeft gepeinsd dat het misschien beter was dat uw Mama...'

'Wat is er met Mama?' schreeuwde Louis.

'Zij komt overmorgen naar huis.'

Was zij dan op reis geweest? Wat had Onze Lieve Heer gepeinsd?

'Zij is nog een beetje ziek, maar de dokters vinden dat ze rapper zal herstellen thuis.' Tante Nora ging zitten, uitgeput na de volbrachte taak. Zuster Adam stond in de deuropening met een register, deed 'Psstt!' Zuster Econome schoof tot vlakbij haar, zij vormden een welig, zwart gevaarte. Met haar delicate vinger volgde Zuster Econome de kolommen cijfers in het opengeslagen register. 'Maar dan moeten de onkosten van de kleren hiervan afgetrokken worden,' zei zij gedempt.

''t Is wreed,' zei Tante Nora. 'Maar het is de gang van de wereld.'

De Zusters sisten, telden, een litanie van cijfers.

''t Gaat voor een volgende keer zijn.' Tante Nora veegde haar tranen weg.

'Is Mama triestig?'

'Dat gaat.'

'Natuurlijk is zij triestig, wat is dat nu voor een vraag?' zei Zuster Adam.

''t Was zo'n schoontje. Ik heb het gezien. Zo'n schoon manneke. Maar Onze Lieve Heer heeft het niet gewild.' Zijn Tante haalde Onze Lieve Heer erbij omdat ze in de spreekkamer van een klooster was, onder de onderzoekende blikken van nonnen en van Paus Pius xii.

Tussen haar witgele wenkbrauwen zaten dikke druppels zweet, of tranen die zij er met haar mouw had ingeveegd. Ja, van alle dwaze maagden werd deze Tante Nora uitverkoren om deze onblijde boodschap te brengen. Papa, lafhartige echtgenoot, zendt zijn onsmakelijke zuster en zijn vader. Waarom komt hij mij zoiets niet persoonlijk melden? Tante Nora moest het register aftekenen. Zij had het ronde, schuine, beschaamde handschrift van Papa.

'Langs de bank van Brussel als altijd?' vroeg Zuster Econome. Tante Nora zei: 'Ja, Zuster,' als een Hottentot.

In de patisserie aan de overkant at Louis een stuk chocoladetaart, Tante Nora drie eclairs.

'Hebben zij het gedoopt, mijn kind?'

'Hoezo, uw kind?'

'Ik wil zeggen Mama's kind.'

'Uw broertje? Natuurlijk.'

'Wie heeft het gedoopt?'

'Eh... de pastoor van 't hospitaal.'

'Was hij daar dan als het geboren is?'

'Ja. Nee. Zij hebben hem getelefoneerd. Hij was er direct.'

'Wist hij dan dat het dood zou gaan?'

'Hoe kon hij dat weten?' Zij smakte ongeduldig met haar lippen. 'Peins er niet meer op. Ik heb dat aan uw Mama ook gezegd. Vergeet het. Zo rap mogelijk. Het is een ongelukje. Het is de natuur.'

Het kind, pappig, vol rimpels, als de kleine Jezus die kirrend van plezier op de blauw-en-gouden voorarm van Maria zat, met dezelfde porseleinen wijde ogen, richtte zich op, sloeg naar een mug, keek naar Papa en begon te trappelen. Mama zei: 'Staf, er scheelt iets aan mijn kindje.' - 'Maar, nee, Constance.' - 'Toch wel, het is niet content.'

'Dan moet het maar leren content zijn.' Het kind hoorde dat en wendde zich, af het legde zijn kopje neer, het hield zijn adem in, bleef zijn adem inhouden tot zijn porseleinen ogen braken en bloedden.

'O, mijn vers schoon hoofdkussen,' riep Mama, 'en die kleertjes die Holst gebracht heeft, onder 't bloed!' Maar dat hoorde het kind niet meer. Het had zijn pijpje uitgeblazen, mijn broertje.

Tante Nora keek naar haar polshorloge en bestelde nog twee eclairs, vroeg: 'Zo, al die jongens samen, 's avonds, hoe gaat dat? Spelen ze nog samen in de slaapzaal?'

'Wij mogen in de refter spelen tot het avondgebed.'

'En als de Zusters naar hun bed zijn, blijven die jongens dan schoon slapen of steken ze nog deugnieterij uit?' Zij likte de vla van haar vingers en wreef ze af aan het tafellaken. Haar wangen waren rood als de aardbeientaart die achter haar op de schoorsteen stond. Zij heeft mijn moeder helemaal vergeten. Volgens Mama zal zij nooit gelukkig zijn met Nonkel Leon. Nonkel Leon heeft al eens in Het Laatste Nieuws gestaan, als winnaar van een damtoernooi.

'Er zijn er voorzeker die rare manieren hebben. Nee? Hoe oud zijn de oudste jongens? Dertien, veertien. Zijn er al bij die een moustache hebben?'

'Ja.'

Zij wou iets zeggen maar deed het niet, omdat de vrouw van de patisserie langskwam op weg naar de deur. Op straat was er het gesputter van een auto te horen, dat Louis in de verste verte vertrouwd voorkwam.

'Hoe is het met Nonkel Leon, Tante?'

'Ge kent hem. Altijd op zijn gemak. Nooit een woordje te luid of te snel. Als zij hem maar met gerust laten. Als hij geen damproblemen oplost ligt hij in de canape met zijn ogen toe en luistert hij naar de mussen.'

Zij keek weer op haar horloge. 'Waar blijft hij toch? Als er iets is dat ik niet kan uitstaan is 't mensen die te laat komen. En ik moet om zes uur thuis zijn voor onze Nicole die van de catechismus komt.'

'Wie moet er komen?'

Zij keek hem doordringend aan, een beetje scheel, en er brak een geniepig lachje door, voorwaar, zij was een dochter van Peter.

'Kijk een keer achter u.'

Papa deed zijn hoed af, en kwam nader.

'Dat had ge niet gepeinsd, he,' kraaide Tante Nora. 'Ik heb u schoon liggen gehad!'

Papa viel neer op de stoel naast Louis. 'Zijt ge hier al lang?'

'Een uur!' riep Tante Nora. Papa bestelde een mille-feuilles en een koffie.

'Ik kon niet weg. De burgemeester wil een cliche van tien bij twaalf voor de prijs van een van zes bij acht! Ik krijg overal van iedereen korting, zegt hij.'

'Enfin, gij zijt er. 't Is het voornaamste.'

'Is hij gereed?' vroeg Papa. Alsof 'hij' (ik!) in een andere kamer, in een ander land was.

'Ik moet nog zijn koffer halen, Zuster Imelda is hem aan 't pakken.'

'Ge hebt weer chance,' zei Papa tot Louis. 'Ge moogt voor al de anderen naar huis.'

Hij at zijn mille-feuilles in drie happen op.

'Naar huis?' Dit was onmogelijk. Zij logen. Het was een van hun vele verraderlijke spelletjes.

'Ja, voor de vakantie.'

'De grote vakantie. Maar dat is maar binnen twee weken?'

'Precies. Zijt ge niet blij?'

'Maar waarom?'

'Om dat geval... met Mama...'

'Ge ziet, Louis, bij elk ongeluk komt er een geluk. Ja of nee? Nog een tasje koffie, Staf?'

'Nee. Geen koffie meer voor mij. Ik ben op van de zenuwen.'

'Gij vreet uw eigen op,' zei Tante Nora als een echtgenote.

Daarop gaf Papa haar met zijn wenkbrauwen en met een bijna onmerkbaar knikje een signaal. Zij nam haar tas en stond op. De bel van de patisseriedeur rinkelde, zinderde na.

'Ik moet het u uitleggen, Louis,' zei Papa meteen. 'In de toestand waarin ik ben, op van de zenuwen, kan ik geen stap in 't klooster zetten, geen stap. Want ik zou alles in 't lang en in 't breed moeten expliqueren aan die nonnen en ge weet al zo goed als ik dat zij absoluut niks maar dan niks verstaan wat er aan de hand is als er in een goed huishouden een drama gebeurt. Ze zouden zagen en zeuren dat het allemaal geregeld is door Ons Heer en dat onze beproevingen' (hij rekte het woord en bestelde een confiture-taartje) 'ons versterken enzovoort, enzovoort. En mijn hoofd staat daar niet naar. Ik zou, geloof ik, onbeleefd worden en in mijn commerce kan ik mij dat niet permitteren.'

Het confiture-taartje kwam, hij sneed er een achtste van en gaf dit aan Louis.

'Hebt gij een beetje uw best gedaan?' zei Papa. 'Hebt gij uw bulletin bij? Hoe is 't met rekenen?'

'Goed.'

'Goed.'

Papa kauwde, smakte, wachtte op Tante Nora. Zegt niets over het andere kind, niets over dit kind onder zijn neus.

'Ik heb niet veel punten in geschiedenis.'

'En ge waart daar zo goed in.'

'Dat komt omdat Zuster Kris ons niets vertelt over de geschiedenis van Vlaanderen. Wij moeten niets anders dan Franse veldslagen onthouden en de opkomst van de Franse industrie. En daar heb ik nooit iets over geleerd of gelezen.'

Louis' leugen had een groter effect dan hij ooit had verwacht. Papa zat meteen rechtop, zijn slaperigheid was ineens verdwenen, hij trommelde op het tafellaken.

'De Franse industrie!'

'Ja, meneer Seynaeve?' zei de vrouw van de patisserie.

'Wat, ja?'

'O, ik dacht dat ge mij riep.'

'Nu dat ge hier toch zijt, madame, geef ons nog twee boules de Berlin. Ik ga er naar toe.' Maar Papa bleef zitten, veegde de kruimeltjes van de milles-feuilles in zijn handpalm en gooide ze in zijn mond. 'Ik heb het altijd geweten. De Franse geschiedenis, daarmee beginnen ze. Om dat van jongs af aan in onze Vlaamse jongens te pompen. Allemaal de schuld van Napoleon. Want hij is de eerste geweest om in zijn bezette gebieden maisons de la culture francaise op te richten om propaganda te maken voor Frankrijk en aan spionage te doen. Ja, Meneer Boon-apart legt zijn boontjes te weken in de kloosters. Zo gaat dat. Maar, olala, dat gaat nog een staartje krijgen!'

'Wat ge ook moet weten...'

'Zeg het! Zeg het!'

'In de recreatie hadden we vroeger "Zonneland" en nu is het "Mickey". Al de tekenverhalen zijn in het Frans.'

'Het is niet waar!'

(Ik zou christelijk medelijden moeten hebben met de goedgelovige die daar voor mij zit. Maar ik kan niet vergeten dat hij vergeet om ook maar een woord over Mama en haar verwoesting te zeggen. Wel leugenachtige praat over een trap waar zij van gevallen is.)

'Zuster Engel,' zei Louis. (Als ik zijn leugens wil overtreffen, dan mag ik niemand sparen. Ook de liefste, de zachtste, moet mee in de modder.) 'Zuster Engel beweert dat het niet de Vlamingen zijn die de Slag van de Gulden Sporen gewonnen hebben.'

Nu was Papa pas verbluft. Zijn mond, met de kruimels op de dunne lippen geplakt, viel open.

'Wat? Hoezo?'

'Zuster Engel zegt dat er aan de Vlaamse kant voornamelijk Duitsers en Friezen en Hollanders en zelfs Franssprekende Henegouwers waren.'

'Dat is laster,' zei Papa.

'Vandaar dat ik niet veel punten in geschiedenis heb.'

Ik kan hem doen dansen als een jojo. Als je maar onverzettelijk bent. Louis neuriede: 'Toujours sourire'uit 'Het Land van de Glimlach', maar Papa herkende het niet.

Tante Nora werd zichtbaar op straat. Zij droeg Louis' te zware koffer. Zij hield haar hoofd opgericht, schouders stijf achteruit, maar haar onderstel wiegelde, waggelde. Op straat huppelde Louis haar tegemoet. Papa naast hem, rende hijgend en voorovergebogen als een spion naar zijn auto. 'Gauw, Nora, dat ze mij niet zien!' Hij had moeite met de autosleutel, friemelde zenuwachtig terwijl hij zich achter de auto trachtte te verbergen.

Drie duiven daalden en gingen op de vensterbank van Zuster Economes kamer zitten. Op de eerste verdieping van het Slot ging een raam open en verscheen een mouw met een flappende stofdoek. De straat was leeg.

De grote vakantie is begonnen voor mij. Vlieghe zit nog opgesloten. Dat zal hem leren. Waar is hij nu? Bij Baekelandt waarschijnlijk, voor de poort van de schuur waar Baekelandt vleermuizen op nagelt tegen het onweer en de bliksem. Als ik vannacht in Walle uit mijn raam naar de sterren kijk, zal hij dat ook doen, op de vensterbank zittend als de duiven bij Zuster Econome, maar met zijn rug tegen de raampost, hij schurkt zijn rug in de witte tabbaard met het kersrode biesje tegen het hout, en valt, valt in de armen van Satan.

De auto ratelde. De zon scheen over de straatkeien. De auto startte, denderde langs het bakstenen Gesticht. Toen Louis achteromkeek naar de torentjes en het met mos begroeide dak van het Gesticht schoof de zon achter een wolk. God wil niet dat ik zijn schittering op aarde aanschouw. Hij trekt zich terug achter de wolken om mijn gemene muil niet te moeten zien.

XX In Bastegem

Louis liet de trein los en gooide zich in de hete mist, sprong in de armen van zijn Nonkel Florent, botste tegen hem aan. De trein stampte weg, de man met roetvlekken die bij de kolen bezig was in de tenderwagen wuifde naar de stationschef, die tussen rozenstruiken stond, kepie met gouden biezen vastgeschroefd op zijn schedel. De stationschef nam hun kaartjes en zei: 'Zij staat er al. Kijk maar.' Bij de neergelaten slagbomen stond Tante Violet. De stationschef stak zijn duimen achter zijn brede, grijze bretels, de omvangrijke ribfluwelen broek schoof omhoog.

'Zij heeft al de oren van mijn kop gezaagd. ''Bakels, waar blijft die trein toch?" Ik zeg: ''Juffrouw, daar hangt de horloge." "Maar die horloge gaat achter," roept ze. Ik zeg: ''Juffrouw, kalmeert u!" "D'r gaat toch geen ongeluk gebeurd zijn, ge zoudt het gehoord hebben nietwaar?" Ik zeg: ''Juffrouw, wij zijn hier niet in Spanje, waar dat de communisten de treins doen ontsporen." Zij zegt: ''Maar Bakels, waarom regelt ge die horloge niet?" Ik zeg: ''Juffrouw, als ge een horloge wilt hebben die loopt, koopt er u een." "Ik heb er een," zegt zij, ''maar zij is kapot."'

Nonkel Florent duwde Louis naar de slagboom, naar boerenkarren, spelende kinderen, een seminarist en Tante Violet. Beerlucht verdrong de geur van de stoom. Tante Violet was in de rouw. Voor Mama's kind. (Of nog steeds voor Koningin Astrid die jaren geleden door haar man, de Koning, te pletter was gereden.)

Zij woog meer dan honderd kilo, iets meer dan Nonkel Robert.

'Dat zou niet erg zijn,' zei Mama, 'als de proporties klopten.'

'Nu is het nog vast vlees,' zei Papa, 'maar als de jaren gaan naderen...'

'Kijk naar uw eigen,' zei Mama, solidair met haar zuster met wie zij vroeger elke avond quatre-mains speelde. 'Volgens mij is 't haar schildklier die niet werkt. - 'Beter dan bij Mona bij wie zij te veel werkt.'

Met een belletje ging de wit- en roodgestreepte slagboom omhoog. Tante Violet waggelde naar hen toe en bood haar wang aan. 'Maar gij zijt groot geworden!' Zij had een wipneus met zwarte puntjes en de bolle strenge ogen van een onderwijzeres.

'Jongetje, doe een keer mijn bandje vast!' Hij knielde, eerste onduldbare reverence in dit boerendorp, in de lucht die gonsde van de muggen, en hij spande het lederen bandje aan en duwde het drukknopje in en de beide gezwollen enkels glommen, volmaakt gelijk gevangen en geplet.

'Ik dacht dat ge gemobiliseerd waart, Florent.'

'Ja. Op naar de linies,' zei Louis.

'Zij gaan van veel verder moeten komen om mij in kaki te krijgen. 't Is mijn kleur niet.'

'Gij zijt een rode, wij weten dat wel.'

'Nee. Ik ben voor Violet,' zei de charmeur.

Tante Violet hief, zoals bij haar boerenkinderen in de klas, haar vinger: 'Florent, 't is het ogenblik dat iedere Belg zijn plicht moet doen!' Misschien zei zij dat zo nadrukkelijk omdat zij op dat ogenblik langs haar school kwamen, een vriendelijk gebouwtje vlak tegen de kerktoren. Er waren geen tralies te zien, geen nonnen.

'Niet voor een frank per dag,' zei Nonkel Florent.

En misschien was het omdat zij langs haar school kwamen dat Nonkel Florent Tante Violets schommelend achterwerk aaide en het leek alsof hij haar als een monsterlijke baby zou optillen en in triomf over de speelplaats dragen. 'Hoe is 't met de liefde, Violet?' 'Maar, Florent. Gedraag u.' Hij krabde in het haar onder haar belachelijk rond zwart hoedje, week uit, verwachtte een mep.

'Florent, schei uit! Mijn mise-en-plis.' Haar protest, halfslachtig en plagerig, leek op wat Mama zou doen in zo'n geval. Verder was er geen gelijkenis met Mama. Ook niet met Tante Berenice, de jongste van de Bossuyts die tot haar schande getrouwd is met een Bulgaarse ketter. Een tijdje geleden dacht ik dat het een Islamiet was.

'Ge hebt zeker wreed geschreid als uw Mama haar kindje is kwijtgeraakt. Ge had toch zeker gaarne een broerke gehad?'

'Ja, Tante,' zei hij gehoorzaam.

'Ik moet er niet aan peinzen dat het mij zou gebeuren.'

Villa's met klimop langs de gevels. Schuingewaaide populieren. Knotwilgenrijtjes in de ongelijk verdeelde weiden. Alsof er ooit sprake kon zijn dat Tante Violet een kind kreeg. Waarom begint ze dan over die mogelijkheid, zo langs haar neus weg? Ooit zal Louis, dat weet hij zeker, inzicht, overzicht krijgen in al die onaffe zinnen, toespelingen. Als je goed oplet, waakzaam bent, zullen de raadsels, die zij kruimelsgewijs in hun moppen en leugens laten ontsnappen, aan het licht komen, tot op het dunste draadje uitgerafeld worden. Nu nog niet. Nu zeggen ze nog altijd: 'De ratten zitten op het dak,' als ik langskom, bleke natte rat met gespitste, puntige, elegante oortjes tegen mijn schedel aangeplakt, met schubbige wiebelende staart wriemelend in het geniep van hun verdoemde verborgenheden.

'Moet ik uw koffertje dragen?'

'Nee, Tante.'

'Laat hem maar, Violet, hij moet nog spieren kweken.'

Nonkel Florent knipoogde. Was het een tic? Hoe knipoog je als je een eenoog bent, zoals de deken van de Brugse weversgilde in Dertienhonderd, Pieter de Coninck, de listige?

Bij de boerderij van boer Liekens, waarvan het strodak verder naar voren helde met platter ineengezakt stro dan toen Louis het voor het laatst gezien had (op weg naar het station, laatste beeld van Bastegem, het goud-en-amber meterdikke roggestro), speelden de vier Liekens-kinderen met een biggetje, zij pookten in de roze en witte buik met gevorkte takjes. Ivo, de oudste, grijnsde en riep 'Heui,' maar kwam niet tot de haag.

'Doorlopen, Louis,' zei Tante Violet. 'Gebaar dat ge ze niet ziet.' Hij keek toch of tussen de hokken van eternitplaten, achter de mesthoop, naast de stallen Iwein-de-koe niet te zien was.

Het was verboden om met de Liekens-kinderen om te gaan, en vooral om hun erf te betreden. Terwijl men er vroeger elke dag om melk en eieren ging. Maar vader Liekens had zoiets schandelijks uitgehaald dat het niet eens in De Scheldebode kon afgedrukt worden.

Zondagnamiddag op het dorpsplein. De boeren die whist spelen onder de platanen van de herberg 'Het Dambord' staren verbijsterd naar Iwein Liekens die strompelt, zakt, zich herneemt, verder wankelt en tegen de betonnen rand van het Monument der Gesneuvelden kwakt, in een poel van bloed dat uit het zitvlak van zijn blauwlinnen broek stroomt. Hij mompelt dat een hete stier hem heeft aangevallen. Sindsdien noemt men hem Iwein-de-koe.

'Heui, heui,' riep Ivo Liekens hen nog achterna, alleen een pauw reageerde, Leo, Leo, Leo (een Paus die dol was op biljarten en die onze eigen Jan Berchmans heilig verklaarde).

Tante Violet had een paarsig wratje onder haar kin. In haar rouwkleren waggelend leek ze op de kronkelige lijntekeningen van Dubout in het blad Hebdo (een van de Verboden Boeken van de Apostelen), uit hun vet knallende reuzinnen met aardbeineuzen, wratten en piekhaar, steeds klaar om hun dwergen van echtgenoten te bewerken met deegrol of paraplu. Louis wees op zijn kin. Nonkel Florent kwam dichter bij Tante Violet lopen en keek, proestte het uit, zij zag het, hij snoot zijn neus tussen zijn vingers.

'Het komt van het scheren,' fluisterde hij. Oom en neef kregen de slappe lach die op en neer borrelde tot aan het hekje van 'Zonnewende', de villa van de Bossuyts. Het laantje naast het huis was overwoekerd door dahlia's in alle kleuren, hommels hingen er boven te beven. Bij de schuur die men de 'garage', noemde en waar Louis eens twaalf harde slagen op zijn billen had gekregen van Nonkel Omer, herkende Hector, de kalkoen, zijn speelkameraadje, hij begon meteen in de zandige aarde te krabben en ter plekke te trappelen, hij schudde zijn kop, de lellen flapten hoorbaar.

Meerke zat met beide voeten in geruite sloffen op de nikkelen ronde rand onderaan de potkachel, alsof zij haar voeten warmde, het was een oude gewoonte, Meerke was oud. Zij sprong overeind, veegde gedachteloos haar handen af aan haar schort. Nu pas merkte Louis hoezeer hij gegroeid was, hij was bijna zo groot als Meerke geworden.

'Maar ge moet nu eens kijken wie dat er hier is,' zei ze. Tandeloos, bezorgd Meerke, petite mere. 'Zet u, zet u, zet u toch,' en wees een rotanstoel aan waar een schotsgeruit kussentje in lag, tot pannenkoek geplet door Tante Violets machtig achterste. Boterhammen met smout en kweepeerjam. Omdat Nonkel Florent (die sedert ze binnengekomen waren onhandig beleefd was en stil) gek was op kweepeerjam. Op het dak van de garage trippelden de duiven van Nonkel Armand, die afschuwelijke ziekten hadden die, als je ze als mens krijgt, ongeneeslijk zijn. Minuscule duivenluizen kruipen door je porien en richten verwoestingen aan in je vlees. Als mens word je verdrietig, korzelig en je sterft koerend met plotse snokjes van de schouders. Toch at Peter graag jonge duiven. Een van de duiven van Nonkel Armand heette Coco, de naam van een papegaai.

'Hebt gij uw best gedaan?'

'Ja, Meerke. Ik heb tachtig procent in aardrijkskunde.' De koffie werd gedronken uit het geribd blauw-en-wit servies dat Nonkel Armand had gewonnen op de boogschieting, vroeger, voor hij een zedeloze dronkaard was.

'En in godsdienst?'

'Zeventig procent.'

'En rekenen?'

'Vijftig procent.'

'Dat is zwak,' zei Tante Violet. 'Zeer zwak.'

'Het is nochtans het enige dat ge goed moet kennen voor later,' zei Meerke. 'Dat en de Franse taal en grammaire.'

'Ja,' riep Nonkel Florent, 'anders gaan ze u heel uw leven op flessen trekken. In het onderwijs wordt er niet genoeg gelet op rekenen, he, Violet?' Zij antwoordde niet. Meteen toen zij binnengekomen waren was zij zonder haar hoed af te doen of haar tasje los te laten naar het ovale raampje naast het buffet gegaan. Zij was opgeslorpt door wat er in de lege dorpsstraat te zien of te verwachten was. Meerke legde uit dat pastoor Mertens in het huis naast de melkfabriek binnengegaan was, zeker meer dan anderhalf uur geleden. De laatste tijd hadden ze opgemerkt dat hij er steeds langer bleef, bij een vrouw met zes kinderen.

Tante Violet had een totale verering voor priesters geerfd van haar moeder, maar in haar dik en eenzaam bestaan gevuld door godsvrucht, het onderwijs en gulzigheid, was pastoor Mertens een overmatige passie geworden, zij volgde zijn doen en laten met de vervormde verrekijker van de liefde. Pastoor Mertens was haar idool en haar beul.

In het jaar Zoveel was Mama een meisje dat Constance Bossuyt heette en samen met haar zusjes Violet en Berenice naar het pensionaat van de Zusters Maricolen ging, als externe. De mussen vallen uit de lucht, de koeien liggen te walmen en Maurits, de oudste jongen uit het aloude boerengeslacht Coppenolle van de overkant van de Leie vertelt hijgend en stokkend aan Tante Violet - die toen nog mijn Tante niet was uiteraard - dat hij niet kan leven zonder haar, zij hoort dit gevleid aan, hij denkt dat zij zijn liefde beantwoordt want zij rent niet weg met het gekrijs van een varken, en hij slaat zijn arm om haar heen en kust haar. Eenmaal thuis evenwel overvalt haar een angstig gevoel, de zonde van onkuisheid - want zijn tong stak in haar mond - brandt in haar ziel en snikkend biecht zij het op aan Meerke, haar moeder, die onmiddellijk haar zelfgebreide sjaal omslaat en zich naar de pastorij spoedt. Maar de pastoor die zij aanbidt en die met wichelroeden over de akkers gaat voor dat de boeren een akker kopen en die elektriciteit in zijn vingers heeft als hij speels over de haren van de zusjes Bossuyt aait, is er niet, Meerke is verplicht om haar kommerverhaal aan de kersverse onderpastoor Mertens te doen en deze zegt: 'Madame, dat moet in de knop gebroken worden,' of: 'in de wieg gesmoord,' of: 'versmacht,' of: 'met wortel en al uitgeroeid.' De nacht valt over de boerderij, de olielamp sputtert en aan de tafel die ruikt naar deeg zitten aan de ene kant Boer Coppenolle, zijn vrouw en zijn ouders, aan de andere kant Meerke met de trillende schuldige Violet. Maurits, de dader, op zijn knieen in de hoek van de kamer bij de bezems en de borstels, houdt zijn ogen neergeslagen. Onderpastoor Mertens zit brandewijn met kersen nippend tussen de families. Lucie, de meid, pookt heftig in de kachel om haar ongenoegen te manifesteren, de stem van de priester te verbrijzelen. Zij wordt weggestuurd.

'Wie is er het eerst begonnen? Nee, niet met kussen, maar wie heeft er het eerst aanleiding gegeven? Waar heeft hij zijn arm gelegd, waar precies? Toon het aan. Hoe lang lag die arm daar? Maar als men iemand kust legt men toch gewoonlijk zijn arm niet zo laag? En wat hebt ge dan gevoeld, Violet? Zeg het gerust, ik heb meer van die zaken gehoord in mijn biechtstoel. Iets warms? Gij weet het niet. Dat is eigenaardig, al het andere weet gij zo goed. Hoe lang heeft de kus geduurd? Was het met zijn lippen bovenop en snel zoals een broer zijn zuster een kus zou geven op haar naamdag? Het was anders. Hoe anders? Spreek vrijuit. Hebt gij u niet verweerd? Niet weggeduwd? Wat wilde hij nog meer? Denk eraan dat gij hier onder eed staat.'

De kleinste kinderen van Boer Coppenolle dreinen. De geknielde wordt opgedragen ze naar de voutkamer en naar hun bed te brengen.

'Spreek vrijuit, hij kan u nu niet horen. Gij moet niet beschaamd zijn, hij is er niet meer bij. Heeft hij, tijdens het kussen, zijn hand op uw nek, rond uw keel gelegd als om u te wurgen, om u te dwingen zijn ontuchtige handelingen te ondergaan? Waar sprak hij over? Dat weet gij niet meer? Zei hij niet: ''Lieveling, schat van mijn hart, mijn oogappel?" Waarom niet eigenlijk? Antwoord! Wij weten dat er meer is geweest. Wij zijn het gewend dat onze parochianen eerst beginnen met alleen maar de helft te vertellen!'

Monotoon, zonder aanwijsbare dreiging, herhaalt en tast en priemt onderpastoor Mertens, hij krijgt nog een brandewijn en dan nog een, Meerke knikt zorgelijk, boer Coppenolle slaat met zijn vlakke hand op de tafel, het tergend trage onderzoek blijft duren, Maurits geeft nukkig antwoord, doodsbang, en Violet, ach, Violet...

Onderpastoor Mertens zegt dat er vele dingen verborgen zijn gebleven, maar dat wij in de eerste plaats moeten vergeven, dat wij de deftigheid van beide families moeten bewaren, in elk huishouden ontstaat op een gegeven moment een crisis, wij zullen dit maar met de mantel der liefde bedekken. In zijn mantel gehesen door Meerke zegt hij: 'Te absolvo, mijn dochter,' en vertrekt in de nacht vol sterren en windenlatende koeien.

'En van die nacht af,' zei Mama tegen de ademloos luisterende Dames van het Pakket van de Soldaat, 'is mijn zuster dezelfde niet meer geweest. Zij speelde geen piano meer, zij zong "Violetta" niet meer, zij die nochtans een schone sopraan had, en het enige wat zij nog met goesting deed was bergen boterhammen met spek, borden vol aardappelen met kaantjes eten, maar daarvan is zij niet dikker geworden, wel van de schaamte en de paniek van die nacht die zich op haar schildklier heeft gezet zodat de schildklier niet meer werkte, het tegenovergestelde van Mona, de zuster van mijn man bij wie ze te sterk werkt, met het gevolg dat wij kennen en waar wij beter niet over spreken, 't schijnt dat Mona nu een elektricien aan de hand heeft die tien jaar jonger is dan zij, enfin. Nee, onze Violet kreeg een schrik voor alles wat met mannen te maken had. Zij heeft het nog. In haar klas slaat zij nooit de meisjes, wel de jongens. En van die nacht af is ze beginnen zwellen en heeft zij zich aan die onderpastoor gehecht en hielp ze bij de congregatie. Soms hoort ze natuurlijk dat er met haar gelachen wordt of dat er iemand haar "de ballon" of "de walvis" noemt, dan eet ze nog meer boterhammen. Ik heb er compassie mee. ''Constance," zegt ze, ''ik ga doodgaan zonder ooit..." Mama's stem in het salon wordt licht als een vlinder... ''de man gekend te hebben." Ik zeg: ''Zottekonte, gij zijt nog in de fleur van uw leven en er zijn honderden mannen die liever een schone pak vlees hebben."' De dames van het Pakket van de Soldaat beaamden het.

Tante Violet, in de fleur van haar leven, loerde bij het ovale raampje, haar brede rug was zwart, gesloten als van een non. 'Hij is daar,' siste zij. 'Hij gaat naar de pastorie. Hij haast zich. 't Is tijd voor het lof. Nee, hij haast zich niet. Hij trekt een takje onkruid uit en gooit het achter de haag. Hij heeft zijn sleutels niet bij zich. Ah, ja, toch wel.' Zij kwam tot bij de kachel, deed haar potsierlijk hoedje af.

Nonkel Florent zei dat hij niet lang kon wachten.

'O, maar ge moet blijven totdat Armand terugkomt,' riep Meerke, 'hij gaat het u nooit vergeven.' Zij liet een reutelend geluid horen. Zij heeft zeven kinderen gehad van wie er vijf in leven gebleven zijn, de andere twee zijn vroeg gestorven - de tweeling net twee jaar - de tweeling werd blauw van het hoesten, hun keel groeide toe, liet slechts slijm door en lucht en dan niets meer, geen reutelend geluid meer.

'Armand gaat het heel erg vinden, hij ziet al zo weinig volk.'

'Nee, hij ziet geen volk in de vijf, zes cafes die hij per dag aandoet,' zei Tante Violet. 'Volk om serieus mee te spreken, wil ik zeggen.'

'In dat geval...' zei Nonkel Florent en kreeg een Elixir d'Anvers. Hij vond het te zoet. Hij kreeg een glas Pils. Hij vond het te slap. Hij kreeg een Jenever. Die was goed.

'De Paus zou willen tussenkomen bij de gouvernementen, zijn gedacht willen zeggen over de toestand, maar hij mag niet van Mussolini, het verdrag van Lanteranen of Lateranen verbiedt dat hij zich bezighoudt met wereldlijke zaken.'

'Dat is maar best zo, Meerke. Want waar gaan we anders naar toe?'

'Dan moet Hitler zich niet bemoeien met de Kerk in Duitsland,' riep Tante Violet. 'In de Duitse kerken zit er altijd een politieman in burger die de gelovigen op zijn notaboekje schrijft.'

'Dan kunnen zij martelaren worden,' zei Louis. Een duif op het dak van de garage pikte nijdig naar de anderen. Waarschijnlijk was dat de duif Coco.

'Het is niet schoon van u, Louis, van te spotten met de katholieken,' zei Meerke.

'Maar ik zei dat niet om te spotten,' zei Louis verbouwereerd.

Twaalf bruine koeien en een wit-zwarte, een Hollandse, zwalkten door de dorpsstraat, twee jongens op blote voeten sloegen ze met rijsjes.

'De Koning van Engeland heeft een magnifieke voyage in Amerika gedaan. Hij en de Koningin hebben thee gedronken bij de President.'

'In 't Witte Huis?' vroeg Louis.

''t Zou kunnen,' zei Meerke. 'En niet alleen de thee kwam uit Londen, maar ook het water. Maar zij hebben dat water niet kunnen gebruiken, omdat de Amerikanen het eerst hebben laten onderzoeken, en er moeten beestjes in gezeten hebben, in ieder geval hebben zij door hun scheikundigen Amerikaans water laten namaken zodat de Koningin 't verschil niet proefde. Zij was er van aangedaan, de Koningin.'

'Het was een delicate attentie,' zei Tante Violet. 'Wij Belgen, zouden daar ons broek aan vagen. Water is water, zouden zij zeggen bij ons.'

'Hitler heeft sedert dat hij aan de macht is vierhonderddertig redevoeringen gehouden. Ge moet het toch kunnen.'

'En iedere keer toch iets anders. Iedere keer moet er toch iets anders in zitten, in zo'n redevoering.'

'Ach, al lachend zegt de zot zijn mening,' zei Nonkel Florent.

'En zo'n zot heb ik liever niet in mijn kot,' zei Meerke.

'Toch schijnt het dat hij zou durven langs onze kant komen.'

'Ge hebt toch gehoord van die Duitse toerist die zijn paspoort moest laten zien van de gendarmen. ''Kijk maar een keer goed naar mijn paspoort," zei hij, '''t is de laatste keer dat ge 't ziet, want binnenkort zijn wij het die naar uw papieren gaan vragen."'

'Komt dat tegen!'

''t Schijnt dat ze in Duitsland met moeite te eten hebben. Ze maken margarine van een hoop chemische brol, geen druppelke melk komt er aan te pas. Resultaat: alleman mond- en klauwzeer.'

'En zodanig bezig met hun versterkingen dat ze daar zo veel volk naartoe moeten sturen dat er in de cafes van Berlijn geen garcons meer zijn.'

'En 't vrouwvolk dat op 't land moet werken, zodat ze niet voor hun kinderen kunnen zorgen.'

'Maar dan maken ze maar nieuwe kinderen. In 't koren. He, Violet?'

'Maar, Florent, peins een keer aan iets anders.'

'De Duitsers gaan ons komen lastigvallen. Zij kunnen niet verdragen dat wij, Belgen, op ons gemak zijn entre nous.'

'Wij hebben nooit andere landen lastig gevallen. In heel onze geschiedenis niet. Het zijn altijd de anderen geweest die hun miserie hier kwamen uitvechten.'

De lucht werd schaliegrijs met blauwe schijnsels. 'L'Heure bleue,' zei Mama. Vaak had Louis bij valavond 'l'heure bleue' gefluisterd op de speelplaats, de perelaar werd een donkere sprietelige massa, een reusachtige spons, waarin nachtdieren wriemelden en Miezers, ongezien.

'Nee, 't is te laat, ik moet de laatste trein halen,' zei Nonkel Florent en dronk zijn laatste jenever uit. 'Zeg aan uw charmante Armand dat ik op hem gewacht heb en dat ik niet content ben. Zeg dat hij in 't vervolg mijn botten kan kussen.'

''t Is zijn schuld niet,' smeekte Meerke. 'Hij let niet op de tijd. Hij vergeet waar hij is.' Armand, de oudste, is haar zorgenkind, haar lieveling. (Als Mama dat broertje had gekregen, zou ik nu ook de favoriete zoon zijn.)

Meerke liet weer het keelgeluid horen. Zoals de jakhals als hij zich verslikt in een te grote homp rotte zebra.

Tante Violet legde haar breiwerk neer, zette haar goudomrand brilletje af. 'Doet de complimenten aan uw moeder. Niet vergeten.'

Nonkel Florent zei: 'Allee, stel het wel.' Toen werd hij gewaar dat Louis bestond, in het bijzonder en enkelvoudig en uniek, hij krabde in Louis' haar, net als bij Tante Violet aan het station en gromde: 'Allee, gastje. Salut. En dat ik geen klachten hoor!' en daarin leek hij op Peter, die precies zo, bijna verlegen, als opperhoofd van de Seynaeves zou gegromd hebben, hier in het andersoortig boerenkinkelrijk van Mama's voorvaderen.

Na de karnemelkse pap zat Louis bij de dode kachel en keek de tijdschriften en krantenknipsels in die Tante Violet hem aanreikte en die over het leven, de dood en de begrafenis van Koningin Astrid gingen. Het papier was klam en rook naar de mottenballen in de kist met het blauwomrand etiket: astrid.

'Een zwaan uit het Noorden noemden zij haar, en het was waar. Het is dat Onze Lieve Heer haar zo rap mogelijk bij hem wilde roepen, anders is het niet te verklaren. Zij hadden zo'n gelukkig huishouden, Leopold en zij, zulke schone mensen, kijk hier, zij in 't wit en hij in zijn uniform.'

'De lakeien van 't kasteel van Laeken hebben het gezegd, nooit hadden ze woorden, die twee,' zei Meerke.

Toen Nonkel Armand niet kwam opdagen en Meerke zenuwachtig werd, zei Tante Violet terwijl ze boterkoeken at: 'Gij zoudt hem beter een keer en voorgoed de les lezen, moeder. Maar ge durft niet. En hij, hij weet dat hij altijd gelijk krijgt van u en hij profiteert ervan.'

'Die jongen zou moeten trouwen, dat is alles.'

'Waarom zou hij? Hij wordt hier verzorgd lijk prins Karel, zijn eten staat gereed elke dag, ook al laat hij het uitdrogen, zoals nu weer, op de stoof. Zijn kleine was, zijn grote was, zijn kostuums, zijn plastrons, 't wordt allemaal op tijd gewassen en gestreken en voor wie? Voor dat vrouwvolk waar heel de gemeente schande over spreekt en voor die meisjes die hij stekezot maakt zodat ze bij mij komen bleiren: 'Violet, kunt ge geen goed woordje doen voor mij bij uw broer? Waarom doet Armand zo lelijk tegen mij, nu dat ik hem zijn goesting heb laten doen bij mij?'

'Violette, je t'en prie, devant le garcon...'

'Le garcon,' zei Louis geeuwend. Zijn hete wang lag op zijn voorarm op de nikkelen stang van de kachel. Het werd zoel aangenaam grijs en lauw en donker, de Miezers fladderden geruisloos langs Tante Violet en Meerkes gekabbel in de lucht van de krantenknipsels, iemand trok aan hem en tilde hem half op, iemand met een rauwe, spotzieke stem die half sprak, half neuriede: 'In zijn nestje moet dit ventje, zonder vestje, zonder hemdje.'

==

Een vrolijke Nonkel Armand verscheen bij het ontbijt. Hij had een doorploegd gezicht vol lachrimpels, een lange bovenlip en leek op Marcel Kint, de Zwarte Adelaar van Zwevegem, zoals hij gefotografeerd werd na een eindspurt, stralend, oppersterk tussen de uitgeputte, amechtige sukkels. Nonkel Armands zwart, achterovergekamd haar zonder scheiding glinsterde van de brillantine. Hij pulkte aan de kalknagels van zijn tenen en zijn rauwe, doorrookte stem zei dat hij Louis zou meenemen achter op zijn moto een dezer dagen. 'Wij gaan gas geven, vent!' Toen krabde hij lang in de grijze krullen op zijn borst, at eieren met spek zonder een woord te richten tot zijn aanbiddende moeder, zijn jaloerse zuster. Zijn ogen waren kobaltblauw met zwarte wimpers die geverfd leken als die van Alfred Lagasse, tenor en Prins Sou-Chong. Toen hij op zijn motorfiets wegreed toeterde hij hartverscheurend lang, de dorpelingen vloekten of maakten een kruisteken.

In de namiddag kwam Raf de Bock, de zoon van de ijzerwinkel, Louis bezoeken. Zij liepen als trapezisten op de treinrails. Raf zou als hij naar het college ging volgend jaar, bij de ksa ingelijfd worden, zei hij trots, met de metalen glans van de winkel van zijn ouders over zijn gezicht en handen.

In het Gesticht had Louis beslist Raf tot Apostel uitgeroepen, zelfs in Rafs huidige staat van onschuld, onaangetast door list of voorzichtigheid want dat was te wijten aan zijn opvoeding in boerenbuitenscholen. Maar zijn fel verlangen om bij de Katholieke Studentenactie ingelijfd te worden stemde tot nadenken. De ksa, de schildwachten van Jezus Christus, verschilden niet zo erg van de scouts, zij hadden een groter ideaal, dat wel, maar dat was niet zo moeilijk, de scouts hebben geen ideaal, behalve dat van tenten optrekken en knopen leggen, scouts hadden een Franse lelie op de riem en werden overigens geregeerd door Engelsen (vanwege hun stichter Baden-Powell) die hun Engelse ceremonies opdrongen, thee drinken, onze stambroeders in Zuid-Afrika in concentratiekampen achter prikkeldraad laten verhongeren, onze geloofsbroeders in Ierland mitrailleren, fair play mijn kloten.

Raf en Louis kropen onder het verroeste prikkeldraad door, dwarsten een weide met koeien die naderden, maar zij liepen geen stap sneller. Louis' hart bonsde. Het waren geen gevaarlijke stieren, natuurlijk niet, niet een van die gevaarten die boer Iwein-de-Koe had besprongen met beestachtige wellust en waarvoor de arme man tot het uur van zijn dood werd uitgelachen, maar de horens en de bloeddoorlopen ogen kwamen toch te dichtbij. 'Melkfabrieken!' riep Louis en bereikte het prikkeldraad.

Langs de dreef, langs het preventorium waar rijkeluizen zonnebaadden in hun zijden pyjama's, langs het voetbalveld van Bastegem Excelsior. Waar het gras hoog stond tussen schots-en-scheve struiken. Raf viel op zijn knieen, Louis deed hem na. Zij kropen door de struiken, naderden het kasteeltje in roze baksteen. 'Niet zo vlug,' snauwde Raf. Louis had natuurlijk nooit een wit hemd moeten aantrekken, aan camouflage moeten denken zoals Raf, die een donkergrijze trui aan had.

Eigenlijk was het jammer dat hun expeditie overdag plaatsvond, anders hadden zij zich kunnen insmeren met modder. Alleen hun oogwit had geflikkerd in de schijn van het kampvuur. En de glans van zilverbuks en tomahawk. Op hun ellebogen sleepten zij zich voort, uit het kasteeltje noch uit de bijgebouwen was er iets te horen. 'Zij zijn godverdomme niet thuis.' Raf richtte zich op en liep dwars door de uitgedroogde beek, sloeg struiken weg en zonder zich om de gezwinde Sioux aan zijn zij te bekommeren rende hij ineens naar een eik. Uit de glas-in-loodramen van de eerste verdieping werd geen Winchestergeweer gericht. Het grint van de oprijlaan kraakte onder Louis' schoenzolen, zijn mocassins had hij in de tent gelaten. Hij botste tegen Raf aan achter de eik. Louis kreeg een zet tegen zijn schouder, stond in de open, kwetsbare vlakte. Vlakbij stond een sportwagen met de linkerdeur open. Op de arduinen trap die naar het bordes leidde waren geen bloedsporen te ontwaren. Raf kwam zijn verkenner achterna. Uiterst nonchalant, met de handen in zijn broekzakken waarin hij waarschijnlijk zijn vingernagels tot bloedens toe in zijn broekzakken grifte ging Raf Louis voorbij. Louis stapte op Rafs schaduw. Het kasteeltje leek verlaten. Louis keek in een kamer.

De linden geurden. Raf scharrelde in de vuilnisbak, zocht tussen conservenblikken, koffiedik, natte kranten, honderd bruine sigarettenpeuken en plukte er een iel, verfrommeld en gerafeld satijnen lapje uit. Het deksel van de vuilnisbak klapte dicht met een afschuwelijke metaalklank die vogels deed opfladderen, de slag van een zwaard op een kuras die stemmen wekte uit de kelderkeuken, een krakerige onzekere bas die onverstaanbaar vloekte en een schelle vrouwenstem die zei: 'Och, Here!' Een ogenblik zag het ernaar uit dat Raf het huis in zou rennen want de slungel deed een stap op de arduinen, bemoste trap en hield zich aan de verweerde leuning vast, maar gelukkig rende hij toen, zonder enige dekking, de struiken weer in.

Ook op de eerste verdieping van het huis was lawaai te horen geweest, alsof men daar een kast verschoof. Toen de twee schamele overvallers hijgend en puffend in de droge sloot vielen, meisjesachtig giechelend, hoorden zij vanuit het onzichtbaar kasteel klaterende marsmuziek die vrij gauw vervangen werd door de vette trompetklanken die Peter 'dierlijk' noemde, die van Amerikaanse negers voortkwamen, en die als wij ons niet verweerden, onze beschaving zouden overwoekeren.

De kamer die hij door de vervormende ruit van de erker gezien had in zijn bevende angstige verrukking was een hoge ruimte met een immense koperen kroonluchter van tientallen takjes en twijgen, matglimmende roodbruine stoelen met groene zittingen, een ovale tafel met een marmeren blad, de buste van een man met een pruik uit de tijd van Louis de zoveelste, het schilderij boven de schoorsteen van een naakte blonde vrouw op een heftig rood bed. Suzanna zonder de twee grijsaards. De glinstering van porselein in een sierkast. Een kruisbeeld van ouden antiek. Het slijk der aarde was daar kwistig gebruikt. In zo'n kamer, minus het schilderij van Suzanna, woonde Zijne Eminentie Hendrikus Lamiroy, bisschop van Brugge. Waarom ben ik geen rijke jongeling? Ik wil alles opgeven en Hem volgen maar moet ik dan niet eerst die rijke jongeling zijn in zo'n kamer? Raf sleepte met zijn voeten, af en toe sloeg hij met een boomtak de struiken plat.

'Zij was toch thuis, Madame Laura. Maar wij keren morgen weer. Ge moet haar gezien hebben voor dat ge dood gaat. Met een beetje geluk hadden wij haar op ons dooie gemak op het terras kunnen zien zitten. Verstaat ge dat? Zij komt speciaal naar de buiten voor de verse lucht en om op haar gemak te zijn, zonder telefoon, zonder clienten en zij is nog maar gearriveerd of ze sluit haar eigen op in haar slaapkamer. Zij wandelt nooit, meestal zit zij op haar lui gat sigaretten te roken in de veranda en af en toe in de schaduw op het terras. Maar wij laten ons niet afschepen, he, Louis? Morgen gaan we d'r weer naar toe en voorzichtig deze keer. Wij kunnen een verrekijker meenemen. Want als ze ons ziet zou ze ons durven wegjagen of laten slaan door Holst. Want Madame Laura heeft geen klein beetje pretentie, zij heeft een groot gedacht van haar eigen en een mens vraagt zich af waarom eigenlijk. Wie peinst zij dat ze is? Zij is toch van klein volk, van de Vandeghinstes uit Meerhem. Haar vader heeft een attaque gehad als zij weggelopen is naar Brussel met al zijn spaargeld, adieu Vader en merci. Vraag het maar eens aan uw Nonkel Armand. Hij gaat het misschien niet willen geweten hebben, maar hij kent haar tot op de draad, Madame Laura, want hij is er zot van geweest een zomerlang, d'r was zelfs sprake van trouwen, een geluk dat het niet doorgegaan is want dat zou uw Nonkel zijn ongeluk geweest zijn, wat zeg ik? zijn dood, want uw Nonkel Armand, ge zoudt hem dat niet aangeven met zijn lachende muil, is veel te serieus. Ge zoudt denken dat hij alleen maar een charmante zwanzer is, maar waarom denkt gij dat hij zijn eigen zo in de drank smijt en in 't slecht vrouwvolk? Omdat hij problemen heeft, Armand, ik zeg het u, en daarom is het maar best dat hij op tijd en stond geweten heeft wat voor een vlees hij in de kuip had met Madame Laura die de mannen verblindt met heel hare cinema.'

Haar cinema, dat wist Louis, dat was wat vrouwen onder hun rokken hebben, dat waarvan de aanblik sommige mannen (zoals Nonkel Armand?) hun handen voor hun gezicht doet slaan, verblind als zij zijn door de scheur van een bliksem.

Op het terras van het preventorium hield een verpleegster een bedpan in de ene hand en zwaaide hen toe met de andere.

'Vrouwen weten het verschil niet tussen goed en kwaad,' zei Raf. Vanwaar kwam die zelfzekere wijsheid? Raf was misdienaar. Raf kreeg vaak rammel van zijn vader, de ijzerhandelaar, een mannetje met een Clark Gable-snor, die vaak hoofdpijn had. En als hij hoofdpijn kreeg, dan sloeg hij.

Zij scheidden bij de dreef. Louis bleef even naar een blonde merrie kijken met vlassige plukjes aan haar enkels, hij riep haar maar zij kwam niet. Toen zag hij in de verte, tussen de acacia's, Raf die aan het vodje dat hij uit de vuilnisbak gestolen had rook en erop knabbelde. Nee, hij was toch niet verkiesbaar als Apostel.

==

Tante Violet zei dat Mama getelefoneerd had vanuit de Alpen waar zij uitrustte met haar vriendin Madame Esquenet. Zij had watervallen gezien, en reebok gegeten alhoewel het niet het seizoen was.

'Heeft ze nog iets bijzonders gezegd?'

'Wat zou ze moeten zeggen, manneke?'

'Heeft ze niet gevraagd hoe dat het met u ging?'

'Ja zeker. Ik heb haar gezegd dat we content waren dat ge hier logeerde. Dat ge gehoorzaam en beleefd waart.'

'Zei ze niets anders?'

'Maar wat dan, Louis?' vroeg Tante Violet kribbig.

'Heeft ze dan geen groeten aan mij gedaan?'

'Natuurlijk, Louis, dat zei ik u toch.'

'Nee.'

Mama had niets bericht over zijn vermoord broertje. Niet geinformeerd naar Holst die de moord begaan had, Holst, de aartsengel die zijn gitzwarte vleugels heimelijk in het wit geverfd heeft, die de opdracht gekregen heeft van de hemelse krachten om Louis door dik en dun in weer en wind te beschermen tegen het kwaad, en die Mama's kind met de duivelse sidderende wiekende vlerken de dood heeft ingewaaid opdat ik mij niet zou hechten aan dit broertje, hem niet gaarne zou zien, wat ik zeker gedaan had als hij in leven was gebleven. Zodat ik nu helemaal kan opgaan in de liefde van Onze Lieve Heer, wat mijn roeping is, ik vergeet het te vaak.

Hij hielp Meerke erwtjes doppen. Zij zat haar grauwe, verschrompelde voeten te weken in een bad met Saltraten Rodell. Louis trachtte, terwijl hij in het geniep van de erwtjes at, een glimp van de geheimzinnige dingen die Meerke haar 'eksterogen' noemde op te vangen, maar zij wikkelde (beschaamd?) haar voeten meteen in de geruite handdoek. Louis gooide het melkige water in de richting van Hector, de kalkoen, trof hem niet.

'Eindelijk is zij een keer verstandig, Constance. Zij zou dat meer moeten doen, Staf en heel zijn tralala in plan laten, gewoon op reis, want hele dagen eten koken en een vent zijn onderbroeken wassen, zijn kousen stoppen... O, ik ben gelukkig dat ik daaraan ontsnapt ben.' Er hokten afgunstige Miezers in Tante Violets keel.

'Zij heeft nog geen kaartje gestuurd,' zei Meerke. 'En nochtans doet ze dat gewoonlijk direct als ze in den vreemde is.'

'Zij zal iets anders aan haar hoofd hebben,' zei Tante Violet.

'Wij hebben magnifieke kaartjes in kleur gekregen van uw Mama,' zei Meerke, 'uit Holland, uit Lourdes, uit Parijs, de Sacre Coeur, het Pantheon, maar dat is lang geleden, hoe lang, Violet? Dat kaartje met Napoleon op zijn paard?'

'Ja, uit Parijs,' zei Tante Violet kregelig, die alleen maar naar Fatima geweest was met de Bond der Vlaamse Onderwijzeressen. Zij had een Pruisisch blauwe haan in keramiek meegebracht, Nonkel Armand had hem in zijn armen genomen, en was ermee in het kippenhok gaan slapen, kakelend in zijn roes. 'Een jaar of tien geleden.'

'O, maar wat ben ik een dwaze maagd!' zei Meerke. 'Het is niet moeilijk. Hoe oud zijt ge nu, Louis?'

'Elf geweest in april,' zei hij tegen zijn zin.

'Al dat ge moet doen is optellen. Negen maanden meer. Potverdikke, wat ben ik toch soms een domme konte.' Zij telden alle twee, Meerke en Tante Violet die op haar vingertoppen tikte met een ringvinger waar nooit een ring aan gezeten had, nooit zou zitten.

'Maar moeder,' riep zij schel, 'nu weet ik het weer, Constance heeft die kaart opgestuurd de 15de juli, want er stond op dat de Parijzenaars in de straten dansten voor hun Quatorze Juillet en Constance had meegedanst om de inname van de Bastille in 1789 te vieren. Staf heeft er later nog over staan nukken omdat ze met een Tunesier gedanst had.'

'Dat was de eerste keer dat uw Mama buiten Belgie kwam. Zij was nerveus! Zij liep tegen de muren op! ''Wat moet ik aandoen als wij naar de opera zouden gaan? Ge weet nooit. Of naar de Folies Bergere waar alle jonge trouwers naartoe gaan?" Het was de schoonste dag van haar leven.'

'Uw vader was toen ook gelukkig,' zei Tante Violet. 'Zij hielden elkaars handje vast, mijn zoetje alhier, mijn engelke aldaar. Maar zij zijn toch vroeger naar huis gekomen dan verwacht.'

'Te veel weelde waarschijnlijk,' zei zij die Mama had gebaard.

==

Mama heeft Papa, Constance Bossuyt heeft Staf Seynaeve voor het eerst gezien op de trein van Walle naar Gent. Op de achtergrond het met klimop en rozenstruiken opgekalefaterd station van Bastegem. Constance stapt op samen met Ghislaine, de dochter van de verfwinkel die vier jaar later gestorven is aan leverkanker terwijl die sloore nooit een druppel alcohol gedronken en zelfs geen chocolade gegeten had.

Papa ging naar de drukkersschool. En Constance naar de Normaalschool omdat haar vader, de sasmeester Basiel Bossuyt, tot op zijn sterfbed (nadat hij uit de appelboom gevallen was) bevolen had: 'Denk eraan, Amelie, dat ze aan de Staat geraken, alle vijf. Tenzij Berenice, die zal waarschijnlijk toch naar het klooster gaan. Maar de twee anderen in 't onderwijs, veel vakantie, 't is proper werk. En ge leert nog alle dagen bij samen met de kinderen.' (Het merg was uit zijn ruggengraat gelopen, dat kunnen ze niet meer repareren.)

Toen kwam het goddelijk want voorbestemd moment dat Constances blik die van Staf kruiste terwijl zij, spotziek lacherig brutaal boerenmeisje, het hoogste woord had in het compartiment (in het middengedeelte van de trein vanwege de veiligheid). De speelse maagd zag hoe de sproetige knul een halve-kilo-zak Lutti-caramellen op zijn schoot had. Zijn wangen bulten en bewegen. Dit duurt weken, en elke keer loopt het water uit haar mond. Hoe kon de snoeper het gretig gelonk van de snoepzuchtige ontwijken? Het duurde weken en toen zei Papa: 'Gij kijkt zo raar naar mijn Lutti's? Zoudt gij er soms eentje willen?' De eerste woorden van Amor zijn pijlenarsenaal. Ghislaine vond het niet comme-il-faut, maar Constance aanvaardt een Lutti en hij smelt in het zoetwatermeertje van haar mond en hij, bijna balorig van verlegenheid, houdt haar weer de gekreukelde papieren zak voor en zij neemt er maar meteen twee. Voor het station van Gent splitst het tramwezen zich.

'Au revoir, meneer.' - 'O, nee, a bientot,' zegt de student in de grafische ambachten op de rand van het baldadige, en 's anderendaags wenkt hij haar vanuit een van stoom sissend raampje en offreert haar, behalve Lutti's, roomsoezen en doopsuiker, marsepein en pepermunt, Ghislaine is wel verplicht, om hem geen affront aan te doen, om mee te kauwen en te zuigen, 's anderendaags is er pruimentaart waarvan hij beweert dat zijn moeder die speciaal gebakken heeft maar is hij onnozel of wat? Wij kunnen toch de blauwe krullettertjes lezen, schuin in een hoek van het getand papier, Patisserie Merecy, Walle. Vijftien kilometer is het van Bastegem naar Gent en Constance wordt getemd op die afstand, zij hapt toe, elke keer in de volgende dagen.

Ghislaine verklapt het aan Berenice en Berenice aan haar ouders. Basiel Bossuyt, die dezelfde puntige snor tracht te kweken als Wilhelm ii die in zijn Hollandse ballingschap hout hakt elke morgen voor zijn villa, Basiel Bossuyt, die de Kaiser heeft bevochten door te spioneren voor de Geallieerden vanuit zijn ideale positie als sasmeester, zegt dat die gast uit Walle zich moet presenteren op het Sashuis, zondagnamiddag om vier uur dertig.

'Het is een van die seigneurtjes met veel drinkgeld, ik ga hem een keer onder de loep nemen.'

'Die peinzen dat ze zich van alles mogen permitteren tegenover meisjes van de buiten,' zegt Meerke.

'Hij is dus van Walle,' zegt Basiel Bossuyt nadenkend, zijn pijp walmt.

'Precies,' roept Meerke. 'Een die te stom is om in zijn eigen stad te studeren en die in alle scholen van Walle buitengevlogen is en daarom naar Gent moet met de trein, met zakken vol caramellen om 't vrouwvolk te verleiden. Zij is veel te jong.'

'Doe niet zo kwezelachtig,' zegt Basiel Bossuyt, maar Meerke kan het niet laten, Pastoor Mertens die nog maar pas geinstalleerd is, wordt geraadpleegd. 'Madame Bossuyt, uw man heeft gelijk dat hij de situatie wil overzien. Het is veiliger dat die jongen naar uw huis komt dan dat hij samen met uw dochter na de lesuren rondhangt in slechte gelegenheden te Gent. Ondertussen zal ik eens informeren bij de deken van Walle uit wat voor een soort familie die jongen komt, en of hij serieuze intenties heeft.'

Constance prevelde 's anderendaags hoogrood, quasi-nonchalant dat als het Staf uitkwam hij het vieruurtje kon komen gebruiken zondag in het Sashuis.

Hoe moet Papa niet gehuppeld en gedanst hebben tussen de denderende drukmachines van zijn school! Hoe trilde de zethaak niet in zijn inktbevlekte hand! Die zondag bracht hij een bos viooltjes mee voor zijn duifje, een boeket roze rozen voor Meerke - want hij is van Walle, vergeet dat niet, Walle vlak bij de Franse grens, ge voelt dat, een zekere chic, savoir-vivre, frivoliteit en pretentie, in Walle kent men zijn wereld, vandaar de roze rozen- en een doos Hollandse sigaren voor Mama's vader die wijst en zegt: 'Zet u. Kunt ge whisten?' Mama's zusters komen o zo toevallig in de woonkamer en geven een zedig handje aan de snoepdolle vreemdeling. Zij vinden hem maar raar en blood, zeggen ze aan hun zuster, die dat ook vindt, het liefst die whistende (die overigens verpletterd wordt door haar gewiekste ouders) zo snel mogelijk ziet verdwijnen. De twee volgende zondagen zit hij er weer. Rozen en sigaren, en voor haar een veldboeket dat hij nooit zelf heeft bijeengegaard zoals hij zegt.

Zij gaat met Ghislaine in het achterste compartiment van de trein zitten maar hij vindt haar, met likeurbonbons, borstplaat en Haagse hopjes.

De volgende zondag is zij niet in de woonkamer van het Sashuis. Vanuit de slaapkamer die zij met Berenice deelt heeft zij hem zien komen, bloemen tegen de borst, aktetas in de hand en met die onverbiddelijke onherroepelijke puntschoenen in haar richting schrijdend, naar haar die droomt van een arrogant uit een oesterkleurig sigarettenpijpje rokend Zuiders type dat de rook wegwuift voor haar verhit gezicht en dan 'Marinella' zingt met de fluwelen stem van Tino Rossi en dan tegen de deurpost leunt met een smokingschouder en onbeschaamd ergerlijk zelfverzekerd met een gesluierde stem zegt: 'Komt gij eens hier, schoon wijveke.'

Zij hoort terwijl zij de deurklink vasthoudt vragen: 'En waar is Constance?' en de verontschuldigingen van haar moeder die haar handen aan haar schort moet afwrijven en het triomfantelijke gekef van Violet, de ingetogen mildheid van Berenice en haar bedaarde vader die zegt: 'Constance is een beetje ziekjes.' 'Kom, vader,' zegt Violet, 'kom kom, val toch met de deur in huis. Zij wil hem niet zien, amen en uit.' Waarop de bloemenman dapper slikt en zegt dat het jammer is want hij had net een passend cadeau meegebracht. 'Ah, dat is iets anders,' zegt Meerke. 'Een schone cadeau,' zegt de onzichtbare pretendent. Constance perst haar sierlijk roze oor, haar bruine wilde krullen tegen de deur maar nu is er alleen het geschraap van stoelen, het gekraak van pakpapier te horen en dan een veelvoudig gekerm en gegrom van verbazing en bewondering. Zij tintelt van nieuwsgierigheid. Zij denkt dat het een ring is, alhoewel Staf niet het type is om haar dit voortvarend op te dringen.

'Constance!'

'Laat me gerust!' loeit ze tegen de beige gelakte deur.

Haar moeder komt en legt haar oor tegen het paneel van de deur aan de andere kant.

'Laat me gerust! Waarom ik? Wat heb ik meer dan andere vrouwen?'

'Ge zoudt toch ten minste goedendag kunnen komen zeggen. Al is het maar een minuutje. Hebt gij dan geen manieren, lompe boerentrien die ge zijt!'

'Nee!'

'Constance, moet ik komen?' brult haar vader.

'Laat haar maar,' zegt hij die een cadeau gebracht heeft. 'Ik ga al. Ik ga wel. Ik heb het verstaan, goed verstaan.'

Zij zit in het voorste compartiment. Ghislaine op haar uitkijkpost bericht dat Staf meteen naar het middengedeelte van de trein gelopen is, links noch rechts geloerd heeft, haar niet gezocht heeft. Hij had wel een zak Lutti's bij zich, van ongeveer een kwart kilo. En de laatste, de volgende zondag ziet zij hem weer vanuit haar en Berenice's meisjeskamer, zijn tred is beslist, zijn week gezicht in een strenge plooi, het rozenboeket als een knuppel in zijn hand. Hij zakt in de rotanstoel en spreekt. Hij wil een laatste keer met haar spreken. Hij wil met haar trouwen. Zij heeft zijn hele leven veranderd ten goede. Zij heeft hem verblind voor de rest van zijn leven op aarde.

'Ik wil u niet zien!' schreeuwt Mama in het trappenhuis.

Hij stort zich uit zijn stoel, omhelst de knoestige artritische knieen van haar die zijn grote liefde heeft geworpen. Basiel snuift misprijzend. Hij zou de smeulende kop van zijn pijp in het dunne haar van de knielende willen uitkloppen. 'Ik kan het niet helpen,' snottert de jonge Staf en heeft voordien maar een keer zo gesnikt, toen hij niet ingezet werd in de match tussen de reserves van Walle Sporting Club en de juniores van de Athletic Association Ghent.

'Constance,' beveelt Basiel Bossuyt.

'Constance, alstublief!' krijst Meerke.

Staf klautert moeizaam overeind en zegt met een wanhopige grimas: 'Het zij zo.' Hij wandelt het huis uit, klimt over de lage doornhaag en daalt de berm af naar de Leie. Na tien minuten ziet Mama Papa's strohoed met het blauwe lint (de kleur van Onze Lieve Vrouw) op het water van de Leie drijven en verroert geen spier. Het gezin evenwel onder haar voeten is de stille man gevolgd en bespiedt hem tussen de bonepersen. Hij zit op tien meter van het kolkende ruisende water van het sas en haalt een pistool te voorschijn en houdt het voor zich alsof hij er baarsjes mee wil schieten.

De zusjes Berenice en Violet kletteren kermend de trappen op. 'Hij wil zijn eigen doodschieten.'

'Zijn bloed zal over ons neerkomen,' krijt Berenice.

'Hij doet het toch niet.'

'Maar als hij het toch doet?'

'Dan had hij het al gedaan. Hoort gij een schot?'

'Constance, moet ik komen?' briest Basiel Bossuyt.

Dit gejengel, gelamenteer, geweeklaag blijft een uur duren en volgens de Bossuyts werd onder de druk van hun aanhoudend geluid de grendel van de deur geschoven. Maar ik weet beter. Holst klom aan de achterkant van het huis op een ladder en wipte door het raam. Hij kauwde op een grasspriet en zei tot mijn verbijsterde Mama: Gij triestige truttige troela, zijt ge niet beschaamd? Ik ben beschaamd in uw plaats. Voor een keer dat er u iemand gaarne ziet, ge zoudt op blote knieen die mens om vergiffenis moeten vragen, ja, gij die boekjes leest en films ziet over liefde en dan schreit van aandoening, gij hebt het hier onder uw snotneus en ge wilt het niet erkennen, blinde geit. - Waarom trouwt gij niet met mij, Holst, ik zou het liever hebben. Wij kunnen deze week nog naar de pastoor en naar het gemeentehuis gaan. - Ik zou niet liever willen, Constance, maar ge weet, ik heb mijn kalm maar toch vurig hart verpand aan Madame Laura van 't Kasteeltje. - Het een sluit het andere niet uit. Ge moogt blijven verpanden als wij getrouwd zijn. - Nee, Constance, zo zijn wij niet getrouwd. Daarbij, ge weet dat ik niet licht spreek als ik zeg dat gij voor die man voorbestemd zijt. Ga naar hem toe want elk moment kan 't schot weerklinken, ik heb het al gehoord met mijn engeloren die geen verschil weten tussen gisteren en morgen. En ik ga u een plezier doen, ik ga dag en nacht ongezien onhoorbaar over uw eerste en waarschijnlijk enige kind zorgen, het zal Louis heten of Lodewijk, lijk dat ge wilt, en er zal hem nooit iets overkomen, hoogstens een gebroken rib of twee en een griepje. - Meent ge dat serieus, Holst? - Erewoord, zegt Holst en vouwt zijn vleugels dicht rond zijn reuzentorso en Mama hoort het gewijde ruisen, zij doet de grendel van de deur en met haar gesperde, gevaarlijk grijze geitenogen gaat ze naar het sas, zij merkt niet dat haar als Apaches juichende zusters haar meesleuren, Constance Bossuyt valt in Staf Seynaeves armen, terwijl de rondvaartboot 'De Schelde' over de Leie komt gevaren met joelende katijven, fluitende kinkels die het liefdespaar gore gelukwensen toeroepen. Zo wordt hij geboren, die het zal opnemen tegen alle prinsen van de duisternis, Louis de Schone.

'Reizen, reizen,' zei Tante Violet, 'ik droom er ook van.'

'Dromen zijn bedrog,' zei Meerke.

'Niet dromen ook,' zei Tante Violet.

==

Hij liep met Raf langs het voetbalveld dat er verlaten bij lag.

Een eenzame man met een regenjas en een vilten deukhoed stond in de goal, benen wijd gespreid. Hij ving onzichtbare ballen op tijdens een onbestaande oefenwedstrijd.

'Dag, meneer Morrens,' zei Raf beleefd.

'Bastegem Excelsior!' riep de man alsof er net een doelpunt was gemaakt. 'Naar de Tweede Divisie!' schreeuwde Raf. De man lachte breed. Zijn tong, beslagen en gepunt, bleef op zijn onderlip hangen.

'Zeg dat wel, zeg dat wel,' zei hij en schopte in het zandig stof voor de goal, een naakte plek in de groenig-grijze weide. Toen streelde hij een van de doelpalen.

'Jantje Vandervelde,' fluisterde Raf.

'Hier,' zei de man, 'heb ik in het jaar Vijfendertig een corner zien ingaan van Jantje Vandervelde. Die corner had zo'n schoon effect dat hij er direct indraaide zonder dat iemand er aan geweest was.'

'Gaat ge nog een Engelsman kopen, meneer Morrens?' Uitermate slaafs vroeg Raf dat, dat voorspelde iets kwalijks.

'Het is de moment niet, jongen,' zei de op zijn tenen wippende man. 'Toch zijn de jonge Engelse voetballers de beste van de wereld.'

'En voor u is dat maar een checkje uitschrijven, meneer Morrens.' De man raakte zijn tenen met zijn vingertoppen, fabelachtig bleef de vilthoed zitten, de vingertoppen beroerden het zand naast de schoenen. Raf wachtte tot de man zich na tien forse strekkingen oprichtte, zich vasthield aan de doelpaal.

'En 't zou ook goed zijn voor uw Engelse uitspraak, want een taal dat moet ge onderhouden.'

'Jongen,' zei de man. 'Heb ik nog niet genoeg miserie gehad?'

'Ge moet er iets voor over hebben,' zei Raf.

'Wij moeten dringend een linksback hebben en ik weet een gastje zitten bij Chelsea, een droom,' zei de man dromerig.'

'Wel, wat belet u om...'

De man zuchtte diep, liet de paal los. 'Nooit meer,' zei hij. Hij onderzocht Louis, die even heel heftig hoopte dat hij een mogelijke linksback zou zijn. Later. Niet in de voorhoede, daar ben ik nooit snel genoeg voor.

'Hij zit op 't pensionaat,' zei Raf.

'Niet lang meer,' zei Louis meteen.

'Bij de nonnekes,' zei Raf.

'Dat is iets anders,' zei de man. 'Conditie, dat leert ge niet bij de nonnen. U kapot lopen en in 't wilde weg schoppen, ja, dat wel, maar geen conditie.'

'En de Engelsen,' zei Raf, 'beginnen direct met conditie, he?'

'Van jongs af aan. En vooral,' hij stak zijn vinger resoluut in Louis' richting, 'de Engelsen zoeken hun jonge gasten bij 't werkvolk, dat is 't belangrijkste, want met fils a Papa's komt ge in nesten. Geen blauw bloed. Vooral niet. Het blauw bloed kunnen we beter golf en cricket laten spelen. Of tennis. Ik weet er alles van. Want ik heb het geprobeerd.'

'Dat kan niemand ontkennen,' zei Raf. 'Die laatste gast die ge gekocht hebt en waar dat ge zoveel miserie mee gehad hebt, was dat geen baron?'

'Een earl,' zei de man en het dromerige kreeg weer de bovenhand, hij verjoeg het door de handen in de heupen te slaan, zijn bovenlijf een cirkelvormige beweging op te leggen. 'Een earl die mijn ondergang geweest is. Twee weken in de Nieuwe Wandeling van Gent, op water en brood. Was notaris Baelens niet tussengekomen met zijn Liberalen, tot aan de minister, ik zat er nog, tussen de moordenaars en de brandstichters. Alleen maar omdat ik opgekomen ben voor de belangen van Bastegem Excelsior en de belangen van die jonge gastjes die uitgebuit worden.'

'Maar die earl werd niet uitgebuit,' zei Raf slaafs aarzelend.

'Mijn enige fout is dat ik te vriendelijk ben geweest, te goedgelovig, te veel liefde heb gehad voor de opkomende jeugd, dat is een grote fout de dag van vandaag.'

Hij richtte zijn onderzoekende ogen lang op Raf, wat hij zag beviel hem niet. Raf grijnsde hem toe en trok Louis dan mee bij zijn mouw.

'Allee, meneer Morrens, goodbye.'

'Naar de Tweede Divisie!' gilde de man hem achterna en schopte wild in de lege lucht.

Mijnheer Morrens woonde bij zijn moeder en had miljoenen geerfd van zijn vader, de textielfabrikant. Het grote leed van zijn leven was dat hij, na een schunnige geschiedenis waarover Raf niet wou uitweiden - 'later ga ik u dat eens haarfijn vertellen' - en waardoor hij in de gevangenis was beland, nooit meer op de training of de matches van zijn beminde ploeg mocht komen. Wel werd hem toegestaan de clubkassa te spekken en aan de bestuursvergaderingen deel te nemen.

Madame Laura was er niet. Het huis doodstil, zinderend leeg.

Volgens boer Santens, listig ondervraagd door de frettige Raf, was zij deze week op een nacht in een taxi aangekomen met een hooggeplaatst persoon en twee jonge vriendinnen. Het gewone geschreeuw en gerinkel van glazen en schetterende dansmuziek was te horen geweest. Vanaf zijn akker, bij dageraad, had boer Santens Holst gezien die de chique witharige heer-uit-de-stad half-gesleurd half-gedragen had naar de taxi. En de twee vriendinnen? Een uur of drie later, verfomfaaid vertrokken in een andere taxi samen met Madame Laura. Hoe zag Madame Laura eruit? Daar was niets aan te zien, misschien een beetje bleek, maar rechtop in haar witte mantel. Die met de grijze kraag van vison? Nee, die witte bontjas, een soort konijnenvel. Weet ge zeker dat het een andere taxi was? Want als het dezelfde was zitten zij met zijn allen hier niet ver vandaan, misschien bij professor dokter Vandenabeele, ook een amateur van feestjes, en het is normaal, zelfs de geleerdste en vroomste en oprechtste Vlaming moet, als hij een hele dag in die vrouwen heeft staan snijden en naaien en oplappen 's avonds een verzetje hebben.

'Een andere taxi,' zei Raf peinzend toen hij met Louis terug naar het dorp liep.

'Dus weer naar haar appartement in Brussel.' 'Waar is Holst nu?' vroeg Louis. 'O, die zal weer aan het zwerven zijn in de bossen om de sigarenrook van Madame Laura haar vooraanstaande client uit zijn lichaam te verjagen in de verse lucht. Ieder potje vindt zijn dekseltje, zeggen ze, maar ik heb het toch nog niet veel zien gebeuren. Zoals Holst nu, een bosmens die vanaf zijn veertien jaar zot is van Madame Laura en die haar schoenen kuist, haar op handen draagt en als het te pas komt ook haar clienten, wat kan er daaruit voortkomen? Vooral daar Madame Laura een hete is.'

Madame Laura die van binnenin zo koortsig ontvlamt dat haar jas van konijnenvel in brand schiet, vlammen uit haar middenrif, goud en rood en walmen zoals bij Jeanne d'Arc, smartelijk huilend naar haar biechtvader.

'Zij kan ook geen dag rustig thuis blijven,' zei Raf bij de spoorbomen.

'Dat zegt Pascal, alle ellende komt omdat de mens geen vierentwintig uur in zijn kamer kan blijven.'

'Pascal Geeraardijn?'

'Nee, de filosoof.' Zuster Kris had er over verteld, over zijn rekenmachine, en hoe hij zijn werelds leven vaarwel zei en hoe ziek hij was, vandaar dat hij zo goed de miserie en de grootheid van de mens kon voelen.

'Zo'n hete,' zei Raf, 'dat ze haar eigen zusters niet gerust kon laten,' en Louis begreep het niet. Het was waarschijnlijk iets als de felle koppige rusteloosheid van Zuster Sint Gerolf die om die heetheid door haar zusters gegijzeld werd. Uw eigen zusters niet met rust laten, pesten, folteren met uw godsvrucht en de eisen van uw ziel.

XXI Nonkel Armand

Het werd frisser 's avonds en omdat de winter ineens voor de deur kon staan breide Meerke een trui voor Nonkel Omer die een dezer dagen terug zou komen van het Albertkanaal. Tante Violet plooide en knipte pakpapier dat omgetoverd werd in strakke omslagen voor de boeken van de bibliotheek. Louis mocht er de paarsomrande etiketten op plakken, dan schreef zij er met de ronde pen de titels en de nummers op, 'De lotgevallen van Broeder Alfus', 'Vader Regeltucht', 'Hoe bestrijden wij onze Ikzucht', 'De Loteling'. Louis' tong had een klef vliesje gekregen van de lijm. Tante Violet had hem verboden in de boeken te kijken, want zij hoorden in de afdeling van de volwassenen. Hij herkende De Bliekaerts van Edward Vermeulen, een boek dat Papa wel tien keer gelezen had. Vermeulen, ook genoemd Warden Oom, was een favoriet auteur van Papa omdat hij steevast onder elk van zijn titels schreef: 'Uit ons volk, voor ons volk.' Er kwamen veel boeren in voor die opeens tierden en met de vuist op tafel sloegen dat de potten dansten, vervloekingen en verwensingen uitend. De Zotte van het Abeelenhof.

'Later, als gij onderscheidingsvermogen hebt, dan moogt ge lezen wat gij wilt. Nu zouden ongeschikte boeken alleen maar uw ziel schaden,' zei Tante Violet.

'Als ge iets leerzaams wilt lezen, boven liggen nog een heleboel boeken van Nonkel Omer zijn studietijd. Geschiedenis en aardrijkskunde,' zei Meerke.

'Ik ken alle hoofdsteden van Europa,' zei Louis en raffelde ze af. Hij was aan Litauen Litouwen, Letland Riga, toen Nonkel Armand binnengestommeld kwam. Meerke stond meteen op. 'Wij hebben gewacht met eten, ik moet alleen nog de koteletjes bakken.'

Nonkel Armand kwakte in de piepende rotanstoel, starogig, kwijlend. 'Olala, olala,' bracht hij uit en streek zijn glimmende zwarte platte haren platter.

'Ik ben toch thuis geraakt.' Een verzadigde uitdrukking gleed over zijn gezicht. Hij probeerde tevergeefs zijn bottines los te knopen. Louis wou helpen, maar Tante Violet zei voor hij een beweging had gedaan. 'Gebaar dat ge hem niet ziet.' Meerke kletterde met potten en pannen. Nonkel Armand sliep.

'Polen Warschau, Roemenie Boekarest, Hongarije Boedapest...'

'Picardie,' zei de slaapdronken stem. Het geplooi en geritsel van Tante Violets bibliotheekpakpapier.

'Pi-car-die.' Nonkel Armand trok moeizaam zijn bloeddoorlopen ogen wijd open, beval: 'Wel, welweter, wat is de hoofdstad van Picardie? Nee, eerste vraag: Waar ligt Picardie?'

Met een kwieke verrekijker de kaart van Europa afzoekend, staatkundig, schaal: honderd achtentwintig miljoen. Rechts in het eigeel: Rusland, Noorwegen in het roze als Belgie en Griekenland, Finland, Frankrijk en Polen in het groen van jonge haver, onooglijke wijnrode stipjes: Monaco, Andorra, Danzig en een minuscuul blaadje veldsla: Luxemburg.

Pi-Picardie.

'Het ligt niet in ons werelddeel,' zei Louis. Nonkel Armand lachte als de Zotte van het Abeelenhof, het ging over in gerochel.

'Laat hem,' zei Meerke die met de borden aankwam.

'Gebaar dat ge hem niet hoort,' zei Tante Violet.

Ook nu, ook hier vernederd. Op de top van zijn kunnen wordt de aardrijkskundige belaagd. Hebben de Duitsers in de laatste maanden Oostenrijk (in het rood oker gekleurd), Tsjechoslowakije (in het violet) gesplitst, verdeeld in staten met nieuwe hoofdsteden, waarom werd ons dat niet gemeld in het Gesticht? Of had ik het al een hele tijd moeten opvangen in de radio in plaats van te huppelen bij de Ramblers. Hulpeloze woedende Mercator.

'Picardie bestaat niet,' zei hij uitdagend. 'Picardie,' dreinde hij smalend.

'O nee?' Nonkel Armand was klaarwakker, hij haalde een sigaret te voorschijn, duwde haar tegen de rode hete pot van de kachel. 'Zal ik u eens het volkslied van Picardie voorzingen?' grinnikte hij verwaten, een Leliaertse edelman die de onwetende volksjongen in het jonge haverveld wou tarten met zijn onheldere bariton die uithaalde over rozen in Picardie.